Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 december 2012

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 21 december 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX7491.

3.17 Los van de dogmatische inkadering is een enigszins vergelijkbare benadering bekend bij de begroting van toekomstige schade.(26) In veel gevallen valt over zodanige schade weinig zinnigs te zeggen zodat de rechter moeilijk anders kan dan haar ex aequo et bono te schatten, waarvoor art. 6:97 en art. 6:105 lid 1 BW uitdrukkelijk een basis geeft. In sommige gevallen is zo'n schatting onvermijdelijk een slag in de lucht, maar zij is onontkoombaar om de onaanvaardbare gevolgen van een afwijzing van de vordering te vermijden. Te denken valt aan de "begroting" van inkomensschade van een zéér jeugdig kind dat als gevolg van een ongeval zeer ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Volstrekt onduidelijk is hoe het kind zich zou hebben ontwikkeld wanneer het ongeval niet had plaatsgevonden.(27) Volgens vaste rechtspraak komt hier betekenis toe aan de omstandigheid dat het de laedens was die deze onzekerheid in het leven heeft geroepen. Toch is ook in dergelijke gevallen niet ondenkbaar dat er geen schade (en daarmee geen causaal verband) is. Zo zou het kind in kwestie, de schadeberokkenende gebeurtenis weggedacht, korte tijd later van een trap hebben kunnen vallen en daardoor om het leven zijn gekomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/87bc199d0dea1299b9738aa7c331df64ba0a3819945006f3edf36923b0110fed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 87bc199d0dea1299b9738aa7c331df64ba0a3819945006f3edf36923b0110fed, en de alinea staat in dat document op bytes 33405 tot 34633.