Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 november 2012

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 20 november 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY0249.

10. De vraag die thans bewijsrechtelijk opkomt, is of op grond van de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden gezegd dat [betrokkene 1] ten tijde van de tenlastegelegde periode rechtens als zijn (minderjarige) dochter kan worden aangemerkt. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord, met de overweging dat zowel de moeder van [betrokkene 1] als verzoeker heeft verklaard dat na hun huwelijk in 1996 verzoeker [betrokkene 1] als zijn dochter heeft erkend. Nu zij beiden daarover onafhankelijk van elkaar gelijkluidend hebben verklaard, en meer in het bijzonder dus ook verzoeker zelf die erkenning heeft bevestigd, kon het Hof, gelijk het heeft gedaan, vervolgens in zijn bewijsvoering komen tot de slotsom dat er geen reden is om aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen. Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] verzoekers achternaam heeft gekregen alsmede dat verzoeker over [betrokkene 1] de ouderlijke macht uitoefende en zich feitelijk als vader gedroeg, ook na de echtscheiding.(3) Ik meen dan ook dat het bestreden oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en evenmin onbegrijpelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/98c8e229f2c926678639d95925bd69bfd084a61b8cd920a96b8011cabda7e37b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 98c8e229f2c926678639d95925bd69bfd084a61b8cd920a96b8011cabda7e37b, en de alinea staat in dat document op bytes 13920 tot 15125.