Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012

Alinea 301 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3905.

Deze uitspraak gaat over de getuigenverklaring. In geding is het tweede lid van art. 8:63 Awb, op grond waarvan de rechtbank van het horen van een getuige mag afzien wanneer zij van oordeel is dat dit horen 'redelijkerwijze niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.' Dit laatste kan om ten minste drie redenen het geval zijn. In de eerste plaats kan het zijn dat ook zonder een getuigenverklaring al voldoende bewijsmateriaal voorhanden is: de feiten staan inmiddels vast; de getuigenverklaring betreft een relevant punt, maar ze kan niet meer aan de feitenvaststelling bijdragen. In de tweede plaats kan het zijn dat de getuigenverklaring weliswaar nieuwe informatie kan opleveren, echter op een punt dat er helemaal niet toedoet. In de derde plaats kan het zijn dat de verwachting (inschatting) bestaat dat de getuigenverklaring geen relevante extra informatie zal opleveren, ofschoon de getuigenverklaring een relevant punt betreft en de feiten nog niet vaststaan. In het laatste geval wordt van de rechter gevergd dat hij een prognose geeft van de uitkomst (en waardering) van de getuigenverklaring. Anders dan in het burgerlijk procesrecht, waar een prognoseverbod geldt, sluit de tekst van art. 8:63 lid 2 Awb een dergelijke prognose niet uit. Afgezien daarvan, bestaat er op het punt van de rechterlijke discretie zelf om af te zien van een getuigenverklaring geen groot verschil tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf, en de alinea staat in dat document op bytes 117593 tot 119055.