Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012
Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3905.
4.8 Voor de onderbouwing van zijn stelling dat eiser gedurende het jaar 2000 in Nederland heeft gewoond heeft verweerder verwezen naar de uitkomsten van het door de FIOD uitgevoerde onderzoek, zoals vastgelegd in het proces-verbaal AH-69. Uit dit stuk en de overige in dat kader in het geding gebrachte stukken komt naar voren dat eiser en zijn echtgenote in elk geval vanaf eind 2000 en gedurende de jaren daarna niet duurzaam gescheiden leefden en eiser in Nederland een sociaal leven had. Vaststaat ook dat de echtgenote van eiser gedurende het jaar 2000 in R woonde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser en zijn echtgenote ook in de direct daaraan voorafgaande periode in 2000 niet duurzaam gescheiden leefden. De rechtbank grondt zijn oordeel onder andere op het reisverslag van eiser opgemaakt in verband met zijn reis naar Curaçao van 7 maart tot en met 15 maart 2001. Hieruit volgt duidelijk dat eiser die periode pas weer voor het eerst in 2001 vanuit Nederland aldaar een bezoek bracht en dat de echtgenote hem bij de voorbereiding van die reis de nodige bijstand had verleend. Dit verslag is gericht aan zijn kinderen. Indien in afwijking van de periode daarvoor beide echtgenoten pas weer samenwoonden zou het voor de hand hebben gelegen dat hierover opmerkingen zouden zijn gemaakt in het verslag. Dit is niet het geval. Daarnaast is uit andere bij de huiszoeking in beslag genomen bescheiden af te leiden dat eiser tezamen met zijn echtgenote inkomens- en vermogensbelasting aangifte heeft gedaan in 2001 bij het Kanton U te Zwitserland. Daar beschikt eiser ook over een woning. Deze aangifte is tegenstrijdig met de door eiser naar voren gebrachte stelling dat hij van 2000 tot en met 2003 woonachtig was op Curaçao. Weliswaar gaat dit ook over het jaar 2001 maar dit gegeven voedt de stelling van verweerder dat eiser met zijn stelling dat hij in voormelde periode woonachtig was op Curaçao een dwaalspoor heeft willen creëren. Verder neemt de rechtbank nog in aanmerking dat uit de agenda van G, die bij de doorzoeking van diens woning is aangetroffen, blijkt dat G, woonachtig in V, gedurende het gehele jaar 2000 regelmatig afspraken met eiser had. Dat is alleen mogelijk indien eiser verblijf hield in Nederland. Bovendien stond als een adres van eiser bij derden ook altijd het adres in R vermeld, meestal als eerste. De suggestie van de gemachtigde van eiser dat het hier (mogelijk) zou gaan om eisers zoon, die dezelfde roepnaam heeft als eiser, acht de rechtbank niet aannemelijk. Zeker uit de gegevens opgenomen in laatstgenoemd proces-verbaal voor de jaren 2002 en 2003 blijkt dat eiser in die jaren samen met zijn echtgenote in Nederland woonde. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiser in tegenstelling tot de stelling van eiser dat sprake was van een gescheiden leven van tafel en bed in het jaar 2000, als ook in latere jaren, dit feitelijk niet zo was en dat het woonhuis te R, in eigendom bij zijn echtgenote, voor hem ook functioneerde als woonhuis. Gelet hierop zou het op de weg van eiser liggen om feiten en omstandigheden te stellen en zonodig aannemelijk te maken dat eiser in ieder geval tot eind 2000 wel op Curaçao heeft gewoond. Dit heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft volstaan met het alleen betwisten van hetgeen verweerder heeft aangevoerd. Dit is onvoldoende. In de conclusie van repliek heeft eiser nog een algemeen voorwaardelijk getuigenaanbod gedaan. Maar hieraan gaat de rechtbank voorbij omdat het onvoldoende gespecificeerd is. Verweerder heeft bijvoorbeeld gesteld dat eiser in 2000 wel enkele keren naar Curaçao is gereisd, soms vergezeld van zijn echtgenote, maar dat dit telkens voor kortere periodes is geweest. Verweerder heeft dit afgeleid uit een ingesteld onderzoek bij een vliegmaatschappij. Eiser heeft hier tegenover gesteld dat niet alleen met deze vliegmaatschappij is gevolgen maar heeft dit niet nader onderbouwd. Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat naar de omstandigheden beoordeeld eiser gedurende het jaar 2000 in Nederland woonde. Daarmee is eiser ingevolge artikel 4 van de Awr in Nederland aan de inkomstenbelasting onderworpen als binnenlandse belastingplichtige.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf, en de alinea staat in dat document op bytes 19841 tot 24079.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf | shasum -a 256