Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012
Alinea 414 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3905.
7.14 Ten tweede ben ik van mening dat de in onderdeel 7.11 genoemde vaststelling van de civielrechtelijk betrokken partijen, bewijsrechtelijk impliceert dat voorshands een wederpartij van belanghebbende er vanuit mag - of zelfs moet - gaan dat zaken worden gedaan met belanghebbende, tenzij deze bewijst dat zaken zijn gedaan met J N.V. Het is dat civielrechtelijke uitgangspunt dat naar mijn mening moet worden doorgetrokken in de beoordeling van de inkomstenbelastingpositie van belanghebbende door de Inspecteur en uiteindelijk de rechter.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf, en de alinea staat in dat document op bytes 157950 tot 158506.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2e53ee823ad865b1360d88d29beb4ac2dc65be979783d594ead7381640409ccf | shasum -a 256