Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 november 2012

Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 30 november 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY5241.

2.17. Op grond van art. 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen(24). Aanvankelijk werd voor een voeging steeds de eis gesteld dat zij strekt tot voorkoming van benadeling van rechten of van de rechtspositie van de verzoeker, welke een beslissing ten nadele van de te ondersteunen partij ten gevolge dreigt te zullen hebben(25). Het middel miskent dat in latere rechtspraak al voldoende werd geacht dat de derde een belang heeft om met eigen argumenten de vordering te bestrijden die de eiser had ingesteld(26). In een uitspraak over tussenkomst werden als ratio van art. 217 Rv genoemd: de proceseconomie en het gevaar van tegenstrijdige beslissingen(27). Het hof, dat in rov. 2.8 verwijst naar de rol van de executeur bij de afwikkeling van de nalatenschap, is blijkbaar ervan uitgegaan dat [verweerder 2] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder - daarmee niet noodzakelijk optredend namens de gezamenlijke erfgenamen - toelating heeft gevorderd ten einde duidelijkheid te verkrijgen of op de afwikkeling van de nalatenschap Nederlands dan wel Zwitsers recht zou moeten worden toegepast. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroepen vonnis van de rechtbank was immers een tussenvonnis in een zaak waarin, wat betreft de vordering in conventie, [verweerder 2] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder een van de procespartijen was. Weliswaar is niet uitgesloten dat in de rechtsverhouding tussen de zusters en de broers een andere beslissing wordt genomen dan in de rechtsverhouding tussen de zuster en de executeur annex bewindvoerder. De afwikkeling van de boedel zou evenwel ernstig worden bemoeilijkt indien het vonnis van de rechtbank (inhoudende dat Nederlands recht moet worden toegepast) in stand zou blijven en in de rechtsverhouding tussen de zuster en de broers in hoger beroep zou worden beslist dat op de afwikkeling (resp. vereffening) van de nalatenschap Zwitsers recht moet worden toegepast. Ten tijde van de beslissing over de toelating was niet te voorspellen hoe het hof over het geschil omtrent deze vraag van internationaal privaatrecht zou gaan oordelen. Er bestond derhalve een gevaar van tegenstrijdige beslissingen. De situatie doet mij denken aan gevallen waarin de exceptio plurium litis consortium wordt opgeworpen. Bij de beoordeling van die exceptie is bepalend of sprake is van een processueel deelbare rechtsverhouding of, anders gezegd, dat noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle betrokken partijen in dezelfde zin luidt. Of de aard en inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin, omdat de bijzondere omstandigheden van het geval de doorslag geven(28). In het onderhavige geding is deze exceptie niet opgeworpen. Het toestaan van de voeging strookt met een goede procesorde. Het resultaat had ook kunnen worden bereikt indien de zuster, als geïntimeerde, zich op de exceptio plurium litis consortium zou hebben beroepen ten einde [verweerder 2] q.q. in het geding te betrekken. In zoverre past de door het hof gekozen oplossing in het stelsel van de wet. De slotsom is dat middel 1 faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/17972cd3ba489c975721e48141f449a1d826e5543fed36d9303f9e9a314e4158. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 17972cd3ba489c975721e48141f449a1d826e5543fed36d9303f9e9a314e4158, en de alinea staat in dat document op bytes 37193 tot 40490.