Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 november 2012

Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 28 november 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY6887.

6.4 De belanghebbende vergelijkt zichzelf in de eerste plaats met een ingezeten niet-onderworpen lichaam ex art. 10 Wet Divb. Het is vaste jurisprudentie van het HvJ EU dat een ongelijke behandeling van ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen discriminatoir is als tussen hen geen objectief verschil bestaat dat grond kan opleveren voor ongelijke behandeling.(37) Ingezeten en niet-ingezeten aandeelhouders bevinden zich met betrekking tot de voorkoming of vermindering van dubbele belasting niet noodzakelijkerwijs in een vergelijkbare situatie.(38) Als een lidstaat echter zowel ingezeten en niet-ingezeten aandeelhouders aan een inkomstenbelasting onderwerpt voor dividend uitgedeeld door een ingezeten vennootschap, dan benadert de situatie van de niet-ingezeten aandeelhouder die van de ingezeten aandeelhouder.(39) Ik merk op dat aangenomen moet worden dat dat even zeer in spiegelbeeld werkt: als een lidstaat ervoor kiest de ingezeten ontvanger van bepaalde inkomsten (in casu dividenden) voor die inkomsten niet te onderwerpen, hij vergelijkbare niet-ingezeten ontvanger evenmin kan onderwerpen voor die inkomsten zonder in strijd te komen met de kapitaalverkeersvrijheid. De vraag waar het in deze procedure over gaat, is of de belanghebbende wel vergelijkbaar is. Ik merk daarbij op dat het HvJ EU een dividendbelasting als eindheffing (voor niet-ingezetenen) gelijk stelt aan een inkomstenbelasting voor ingezeten aandeelhouders, of algemener gezegd: het Hof gooit een voorheffing en haar eindheffing over hetzelfde object bij dezelfde persoon op één hoop: dat is in zijn ogen één belasting. Het maakt dus niet uit of de heffing 'dividendbelasting', 'roerende voorheffing', 'vennootschapsbelasting', 'bevrijdende voorheffing' of 'inkomstenbelasting' heet en ook niet of de voorheffing verrekend wordt met een eindheffing of niet. Het gaat om het uiteindelijke per saldo ten laste van één belastingplichtige over hetzelfde object geheven bedrag.(40) De heffingstechniek doet niet ter zake (bevrijdende voorheffing, verrekenbare voorheffing of alleen eindheffing): uit de zaak Kerckhaert-Morres(41) blijkt dat het niet ter zake doet dat buitenlands dividend aan de inkomstenbelasting wordt onderworpen en binnenlands dividend aan een 'bevrijdende voorheffing' en dat de heffingstechniek dus verschilt, en uit Truck Center blijkt, andersom, dat het niet ter zake doet dat de buitenlandse opbrengstgerechtigde aan een bronheffing als eindheffing wordt onderworpen en de binnenlandse opbrengstgerechtigde aan een inkomstenbelasting en dat ook daarbij de heffingstechniek verschilt. Voor belanghebbendes geval betekent dit dat niet ter zake doet dat de Nederlandse heffing te zijnen laste 'dividendbelasting' heet en door inhouding geheven wordt terwijl de heffing te zijnen laste, ware hij ingezeten geweest, uiteindelijk de vennootschapsbelasting zou zijn geweest, die op aanslag geheven wordt met verrekening van de dividendbelasting. U zie ter illustratie het hieronder (6.14) opgenomen citaat uit de zaak C-342/10, Commissie v. Finland.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c19c16422bb2968fb28bbe453db7e05de75fff73d937dae0c5315b1ecba520a6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c19c16422bb2968fb28bbe453db7e05de75fff73d937dae0c5315b1ecba520a6, en de alinea staat in dat document op bytes 56423 tot 59497.