Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2012

Alinea 263 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY6906.

7.8. Terug naar de onderhavige zaak en in het bijzonder de bespreking van het derde middel. Het hof heeft de volgende (in cassatie onbestreden) feiten en omstandigheden vastgesteld. De verdachte is bij beschikking d.d. 12 januari 2007 ongewenst verklaard op de grond dat zij een gevaar vormt voor de openbare orde. Zij heeft geen gevolg gegeven aan de verplichting om Nederland onmiddellijk (binnen 24 uur) te verlaten en zij is op 19 april 2010 in Nederland aangetroffen. Het oordeel over het gevaar voor de openbare orde is gestoeld op het onherroepelijke arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 22 juni 2004, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden wegens het medeplegen van misdrijven. Deze straf is geëxecuteerd in de periode van 17 maart 2006 tot en met 12 maart 2007. Uit hetgeen het hof voorts ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft overwogen volgt dat de verdachte aansluitend na de executie van de gevangenisstraf op 12 maart 2007 in vreemdelingenbewaring is gesteld, welke bewaring met ingang van 31 augustus 2007 is opgeheven. Daarnaast volgt uit de overwegingen van het hof ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte dat de verdachte de Pakistaanse nationaliteit heeft en dat de Pakistaanse ambassade is benaderd met het verzoek om een paspoort of een laissez passer ten name van de verdachte af te geven. Dit verzoek is bij schrijven van 21 mei 2007 afgewezen op de grond dat de verdachte naast de Pakistaanse nationaliteit tevens de nationaliteit van een ander land zou bezitten (kennelijk wordt in dat schrijven de Nederlandse nationaliteit bedoeld). Hiervan dient zij uitdrukkelijk afstand te doen teneinde in aanmerking te komen voor het verkrijgen van één van de genoemde documenten van de Pakistaanse staat. Ook volgt uit de overwegingen van het hof ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte dat de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is benaderd om de terugkeer van de verdachte te faciliteren en dat uit een notitie van deze instantie, gedateerd 7 april 2009, is gebleken dat de IOM niet in staat was de terugkeer van de verdachte te faciliteren omdat (DA: ik begrijp) de verdachte niet aan een reisdocument is kunnen komen. Of het benaderen van de Pakistaanse ambassade en het inschakelen van de IOM inspanningen zijn die door de Nederlandse autoriteiten zijn ondernomen om de verdachte te doen terugkeren, dan wel of het acties van de verdachte zelf betreft, heeft hof niet vastgesteld. Dat de verdachte een en ander heeft geïnitieerd lijkt mij echter onwaarschijnlijk, nu zij - zo heeft het hof vastgesteld - tijdens haar verhoor bij de politie op 19 april 2010 op de vraag wat zij heeft ondernomen om Nederland te verlaten heeft geantwoord: "Ik heb hiervoor niets ondernomen, jullie hadden mij maar moeten terugsturen toen ik eerder vastzat." De in de toelichting op het tweede middel aangehaalde feiten en omstandigheden - waarvan ik opmerk dat zij niet allen ter terechtzitting van het hof zijn aangevoerd(29) - doen wel vermoeden dat deze handelingen pogingen betreffen die door de Nederlandse overheid zijn ondernomen ten einde de verdachte te doen terugkeren. Dit vermoeden neem ik thans tot uitgangspunt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/99b3af7c79dc866bed7851474150e30b47b7973b7c3725a5f257af3b3abce6c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 99b3af7c79dc866bed7851474150e30b47b7973b7c3725a5f257af3b3abce6c0, en de alinea staat in dat document op bytes 105433 tot 108691.