Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 december 2012
Alinea 142 Parket bij de Hoge Raad 10 december 2012
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY7673.
7. Vervolgens gaat de Hoge Raad in zijn arrest in op het begrip voorwaardelijk opzet. Zoals ook uit het bovenstaande blijkt, had het Hof tot voorwaardelijk opzet geconcludeerd omdat belanghebbende, zo overweegt het Hof in r.o. 5.6 van zijn uitspraak: 'heeft nagelaten om op enig moment tussen het indienen van de aangifte en het opleggen van de aanslag de inspecteur [te] informeren over het door hem ontvangen afkoopbedrag. Belanghebbende heeft daardoor de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven.' Hiermee doet het Hof geen recht aan het begrip voorwaardelijk opzet. Het Hof gaat uit van de verkeerde definitie van voorwaardelijk opzet, dan wel het Hof motiveert niet volledig waarom in casu van voorwaardelijk opzet sprake is. Daarom laat de Hoge Raad heel duidelijk zien dat voor voorwaardelijk opzet niet alleen vereist is dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Het gaat om een dubbele eis: zowel wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans als die aanmerkelijke kans bewust aanvaarden. Uit het oordeel van het Hof blijkt niet dat het Hof zich van deze dubbele eis rekenschap had gegeven. In ieder geval blijkt niet uit de geciteerde rechtsoverweging van het Hof dat belanghebbende volgens het Hof de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Uit de dubbele eis die de Hoge Raad stelt, vloeit ook voort dat als belanghebbende weliswaar wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven, maar er desondanks en ten onrechte vanuit is gegaan dat zijn handelingen wel goed zouden aflopen, er geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet, maar hoogstens van grove schuld (zie ook M.W.C. Feteris, a.w., blz. 347). De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest HR 29 februari 2008, nr. 43 274, BNB 2008/156*, waarin de definitie van voorwaardelijk opzet ook reeds was gegeven. Voorts kan verwezen worden naar HR 31 januari 2003, nr. 37 511, BNB 2003/124c en HR 25 maart 2003 (strafkamer), NJ 2003, 552.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/130d071ab8ce537fbce70afd6c924cbf45a146f31d8bd07b8b9960edf767b7b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 130d071ab8ce537fbce70afd6c924cbf45a146f31d8bd07b8b9960edf767b7b9, en de alinea staat in dat document op bytes 57921 tot 60085.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/130d071ab8ce537fbce70afd6c924cbf45a146f31d8bd07b8b9960edf767b7b9 | shasum -a 256