Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 december 2012

Alinea 102 Parket bij de Hoge Raad 13 december 2012

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY8742.

-1. Dit vind ik een belangrijk arrest. Niet zozeer wat betreft de uitkomst met betrekking tot de zeer specifieke casus waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld, maar vanwege de rechtsregel die de Hoge Raad hier neerlegt. Het betreft een arrest van de belastingkamer over de vraag of in een gegeven situatie sprake is van een dienstbetrekking voor de toepassing van de WW. De Hoge Raad zegt voor deze vraag aan te sluiten bij de jurisprudentie die door de civiele kamer is gewezen op het punt van de arbeidsovereenkomst. Dat en het feit dat het arrest door een 'kleine kamer' is gewezen doet vermoeden dat we het hier over een open deur hebben. Toch is hier duidelijkheid geschapen. (...) Over de vraag in hoeverre de bedoeling van partijen een rol speelt bij het vaststellen of al dan niet sprake is van een dienstbetrekking, doen zich naar mijn mening de nodige misverstanden voor. De A-G wijst erop dat bijvoorbeeld Van Westen er al sinds 1980 voor pleit dat als aannemelijk kan worden gemaakt dat partijen uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst willen, er geen sprake kan zijn van een civielrechtelijke dienstbetrekking en dus ook niet van inhoudings- of van verzekeringsplicht. Dat is geen geldend recht en ik denk evenmin dat dit geldend recht zal worden. Het gaat er wat betreft de wil van partijen in situaties als de onderhavige om dat moet worden vastgesteld welke rechtsbetrekking zij wilden aangaan en niet welke gevolgen zij wilden vermijden. Uiteraard telt dan niet alleen wat er op papier is gezet, maar moet ook worden gekeken of zij zich dienovereenkomstig hebben gedragen. Bij de vraag wat de betekenis is van de bedoeling van partijen wordt te vaak vergeten onderscheid te maken tussen de vraag of partijen bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst aan te gaan, dan wel of zij bedoeld hebben de gevolgen van een arbeidsovereenkomst te ontlopen. Als dit laatste het geval is hebben we nog geen antwoord op de vraag of partijen een arbeidsrelatie zijn aangegaan die als dienstbetrekking moet worden geduid. (...) Als twee partijen onderling een dispuut hebben over de vraag of zij beoogden een dienstbetrekking tot stand te brengen is dat een ander speelveld dan dat waarbij ten aanzien van die vraag een derde in het geding is zoals het UWV, de Belastingdienst of een verplicht pensioenfonds zoals PGGM. In deze laatste situaties zijn de belangen anders verdeeld. Het ligt daarom naar mijn mening voor de hand dat dan eerder wordt toegekomen aan de toets van de feitelijke uitvoering van de afspraken en dat deze bovendien intensiever is. Immers, in dergelijke situaties is sneller de vraag aan de orde of partijen niet wezenlijk bedoeld hebben de gevolgen van een arbeidsovereenkomst te ontlopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0589a04483fc9ca89757bbfe4b1e09c3d2ac8bf4b65516023ebd624ce68a5140. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0589a04483fc9ca89757bbfe4b1e09c3d2ac8bf4b65516023ebd624ce68a5140, en de alinea staat in dat document op bytes 35436 tot 38159.