Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2013

Onder 4.54 Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1102.

Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de opgevoerde kosten van deskundige en juridische bijstand in het onderhavige onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank stelt voorop dat, gezien het bepaalde in art. 50 lid 1 Onteigeningswet, niet zonder meer in de rede ligt dat de gestelde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank constateert evenwel dat op het moment dat Gemeente De Bilt het plan waarvoor wordt onteigend in gang zette, de vraag of en, zo ja, welk bedrag aan schadeloosstelling voor interveniënten op zijn plaats zou zijn, niet eenvoudig te beantwoorden viel. Niet voor niets heeft Gemeente De Bilt afgewogen hoe zij een procedure moest inkleden om te bewerkstelligen dat de ‘ontdekte’ erfdienstbaarheden zouden komen te vervallen. Toen eenmaal gekozen was voor de onteigeningsprocedure diende de vraag of een schadeloosstelling op zijn plaats zou zijn te worden beoordeeld aan de hand van een inschatting van het oordeel dat een rechter zou moeten geven. Dienaangaande hebben, zoals thans is gebleken, niet alleen interveniënten, maar ook de door de rechtbank benoemde deskundigen een andere inschatting gemaakt dan Gemeente De Bilt. Dat op zichzelf maakt niet dat interveniënten niet in redelijkheid konden besluiten zich te verzetten tegen de onteigening en het feit dat daarvoor geen compensatie door Gemeente De Bilt werd aangeboden. Dat de opstelling van Gemeente De Bilt evident juist was kon immers niet worden gezegd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat een gedeeltelijke vergoeding van de door interveniënten gemaakte kosten op zijn plaats is. Met Gemeente De Bilt is de rechtbank van oordeel dat niet alle opgevoerde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Interveniënten hadden bij het maken van de kosten dienen in te schatten of de kosten in verhouding staan tot het belang van de zaak en de goede en kwade kansen die daarmee samenhangen. Daarmee hadden zij mee kunnen en moeten wegen de kwade kans, die is gerealiseerd, dat de rechter tot de conclusie zou komen dat Gemeente De Bilt terecht geen vergoeding heeft aangeboden. Dit zo zijnde acht de rechtbank de door interveniënten gemaakte (preprocessuele) kosten van rechtsbijstand en deskundigen niet redelijk en ziet zij aanleiding die te matigen tot 50% van het totaal bedrag dat is opgevoerd. Dit leidt ertoe dat Gemeente De Bilt aan interveniënten dient te vergoeden een bedrag van € 31.319,24 (€ 3.873,45 + € 18.204,26 + € 11.501,35 + € 29.059,41 = € 62.638,47 : 2), waarvan € 23.631,83 terzake deskundige bijstand en € 7.687,40 terzake overige deskundige bijstand.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/98f340d1ef8c2b31fcc9d38b9d51a8ca6834e180b47faa7e6073b7d24bc288f6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 98f340d1ef8c2b31fcc9d38b9d51a8ca6834e180b47faa7e6073b7d24bc288f6, en de alinea staat in dat document op bytes 106163 tot 108805.