Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013
Onder 13. Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:111.
Zie ook Perrick in zijn annotatie onder genoemd arrest, waar hij het volgende aantekent: “Voor de praktijk is allereerst van belang om voor ogen te houden dat uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen als het ware in twee fasen geschiedt. Dat mag worden afgeleid uit het onderhavige arrest en, onder meer, ook uit HR 18 februari 2011, NJ 2011/353. Ook art. 4:46 BW veronderstelt naar mijn mening deze uitlegging in twee fasen. In de eerste fase dient te worden vastgesteld of de uiterste wilsbeschikking onduidelijk is of, zoals de HR het in dit arrest uitdrukt, geen “duidelijke zin” heeft als bedoeld in art. 4:46 lid 2 BW. Daarvan kan ook sprake zijn indien de bewoordingen van de uiterste wilsbeschikking op het eerste gezicht duidelijk zijn als men, zoals art. 4:46 lid 1 BW voorschrijft, let op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wilsbeschikking is gemaakt. Deze verhoudingen en omstandigheden behoeven niet uit de uiterste wil te blijken. In dit geval was het voor de HR een gegeven dat het hof heeft vastgesteld dat de uiterste wilsbeschikking zinloos was. De uiterste wilsbeschikking was zinloos nu de erflater de verhoudingen tussen zijn kinderen en de langstlevende, de stiefouder van de kinderen, wilde regelen. Om tot dat oordeel te komen, behoefde het hof geen gebruik te maken van “daden of verklaringen van de erflater” buiten de uiterste wil. Deze mogen volgens art. 4:46 lid 2 BW slechts voor de uitlegging van de beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. Ik betwijfel overigens, zie Asser/Perrick 4/132, of deze daden en verklaringen eerst dan mogen worden gebruikt indien de uiterste wilsbeschikking aan de hand van het in art. 4:46 lid 1 BW neergelegde criterium onduidelijk is bevonden. Nadat is vastgesteld dat de uiterste wilsbeschikking onduidelijk is, dient in de tweede fase van uitlegging te worden achterhaald wat de bedoelingen zijn van erflater die hij onduidelijk in zijn uiterste wil heeft verwoord. Daarbij mag, zoals vermeld, ook op daden en verklaringen van erflater buiten de uiterste wil worden gelet.” Aldus Perrick.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/44c340aed83dfa802efb142345db55476e3e5fbb8e6399e2dd490983622390c7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 44c340aed83dfa802efb142345db55476e3e5fbb8e6399e2dd490983622390c7, en de alinea staat in dat document op bytes 33410 tot 35635.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/44c340aed83dfa802efb142345db55476e3e5fbb8e6399e2dd490983622390c7 | shasum -a 256