Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013

Onder 31. Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:111.

Dit onderdeel berust op de veronderstelling dat het hof in rov. 2.3 van zijn eindarrest heeft geoordeeld dat de wilsbeschikking bij een indirecte onterving als waarvan in het onderhavige geval sprake is (benoeming van broer als enig erfgenaam terwijl ouders nog in leven zijn), mag worden aangevuld met de clausule dat deze onder bepaalde omstandigheden vervalt op de grond dat het aan het hof ambtshalve bekend is dat deze wijze van onterving in de notariële praktijk een niet ongebruikelijke wijze van onterving is. Die veronderstelling is niet juist. Het hof heeft in rov. 2.3 de wilsbeschikking uitgelegd aan de hand van de maatstaf van de leden 1 en 2 van art. 4:46 BW. Met zijn oordeel dat de testamentaire beschikking aldus moet worden uitgelegd dat de beschikkingen niet voor de gewijzigde omstandigheden waren bedoeld, en dat de erfstelling van [eiser] dan ook is vervallen, heeft het hof de testamentaire beschikking niet aangevuld, noch valt in rov. 2.3 het impliciete oordeel van het hof te lezen dat aanvulling toegestaan zou zijn omdat aan het hof ambtshalve bekend is dat de indirecte onterving als door het onderdeel bedoeld in de notariële praktijk een niet ongebruikelijke wijze van onterving is. Bij het missen van feitelijke grondslag, faalt onderdeel IV.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/44c340aed83dfa802efb142345db55476e3e5fbb8e6399e2dd490983622390c7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 44c340aed83dfa802efb142345db55476e3e5fbb8e6399e2dd490983622390c7, en de alinea staat in dat document op bytes 62037 tot 63327.