Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013

Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:113.

De vraag die partijen in de onderhavige procedure verdeeld houdt, is of (uit het arrest Aukema q.q./Uni-Invest moet worden afgeleid dat) het contractuele schadevergoedingsbeding van art. 7.3 Algemene bepalingen geen vordering van [eiseres] jegens de huurders doet ontstaan – zodat geen beroep op de garantie kan worden gedaan –, of dat uit dit beding wel een vordering van [eiseres] jegens de huurders ontstaat maar deze niet aan de boedel kan worden tegengeworpen. Deze vraag laat zich ook aldus formuleren: is een contractueel beding strekkende tot vergoeding van leegstandschade in geval van opzegging door de curator op de voet van art. 39 Fw nietig ex art. 3:40 lid 1 BW, of is dit beding geldig maar de daaruit ontstane vordering van de verhuurder op de huurder slechts niet-verifieerbaar in het faillissement?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/805df74ee250222bd952671e2bb1e3a8f91b5fc77c2015a2fa0892fae9e705eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 805df74ee250222bd952671e2bb1e3a8f91b5fc77c2015a2fa0892fae9e705eb, en de alinea staat in dat document op bytes 28069 tot 29037.