Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013
Onder 2.13 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013:113.
In het midden kan blijven of men de aan het beding te ontlenen vordering tot schadevergoeding dient te kwalificeren als een ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst ontstane vordering onder opschortende voorwaarde, dan wel als een vordering die eerst ontstaat door toedoen van (de opzegging door) de curator . Uit het hiervoor aangehaalde arrest [A]/Tideman q.q., waarin Uw Raad het zogenoemde ‘toedoencriterium’ voor het ontstaan van boedelschulden heeft verlaten, kan worden afgeleid dat de onderhavige vordering tot vergoeding van leegstandschade in beide gevallen in beginsel moet worden aangemerkt als een vordering op de schuldenaar met het oog op de voldoening waarvan de vereffening van de boedel plaatsvindt, ofwel een verifieerbare faillissementsvordering. Dit brengt mee dat de schuldenaar (huurder) onverkort verbonden blijft, maar dat de rechten van de wederpartij (verhuurder) gedurende het faillissement slechts kunnen worden geldend gemaakt via indiening ter verificatie. Wel kunnen faillissementsvorderingen tijdens het faillissement worden verhaald op daarvoor verbonden derden, zoals een borg of derdezekerheidsgever.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/805df74ee250222bd952671e2bb1e3a8f91b5fc77c2015a2fa0892fae9e705eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 805df74ee250222bd952671e2bb1e3a8f91b5fc77c2015a2fa0892fae9e705eb, en de alinea staat in dat document op bytes 39445 tot 40799.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/805df74ee250222bd952671e2bb1e3a8f91b5fc77c2015a2fa0892fae9e705eb | shasum -a 256