Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 november 2013

Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 22 november 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1380.

Met de steller van het middel (subonderdeel 1.6) ben ik van mening dat zo’n regel zich niet reeds laat afleiden uit het arrest van Uw Raad inzake [A]/[B]. In die zaak was de uitleg van het beding in kwestie in cassatie niet aan de orde. Het hof had geoordeeld dat de schuldeiser op het moment van verpanding van de vordering daartoe niet bevoegd was, omdat de vordering in kwestie, ook wat de overdraagbaarheid ervan betreft, werd bepaald door de rechtsverhouding tussen partijen. Het hof had derhalve vastgesteld dat de vordering op grond van het beding in kwestie niet overdraagbaar was. Tegen dit oordeel als zodanig was in cassatie niet opgekomen, zodat de kwalificatie van het beding als beding in de zin van art. 3:83 lid 2 BW reeds vaststond. Uw Raad oordeelde uitsluitend over de rechtsgevolgen van een dergelijk onoverdraagbaarheidsbeding: dit leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van de schuldeiser ten aanzien van de vordering, maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf, hetgeen met name verschil kan maken voor de eventuele toepasselijkheid van regels van derdenbescherming.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e6ff1012c09064c56593fa5839697a5afa71626ea03a626157b446e970d4e0e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e6ff1012c09064c56593fa5839697a5afa71626ea03a626157b446e970d4e0e9, en de alinea staat in dat document op bytes 37233 tot 38478.