Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Onder 2.18 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:25.

Wie door overtreding van de Handelsnaamwet wordt geschaad, kan krachtens art. 6:162 BW een vordering tot onder meer schadevergoeding instellen . Wat betreft het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW, in het bijzonder het ‘persoonsgebonden element’ daarvan onderscheidt de verbodsbepaling van art. 4 zich van die van de artt. 3 en 5b. In de parlementaire geschiedenis wordt bij art. 6 over de bijzondere kantongerechtprocedure opgemerkt dat de Handelsnaamwet ook algemene belangen beschermt, “hetgeen duidelijk spreekt bij art. 4”, nu bij overtreding van dit artikel moeilijk van onrechtmatigheid ten opzichte van een bepaalde persoon kan worden gesproken, anders dan bij de artt. 3 en 5 Hnw waar steeds een persoon is aan te wijzen te wiens opzichte onrechtmatigheid bestaat en die de actie van art. 6 Hnw zal instellen .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb97dc4c7681872d377258a97106402bf942f6a75f0185b92d7ded1f3120c056. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb97dc4c7681872d377258a97106402bf942f6a75f0185b92d7ded1f3120c056, en de alinea staat in dat document op bytes 32461 tot 33497.