Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Onder 3.6 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:50.

Bij die stand van zaken kan de klacht, gericht tegen het oordeel dat [eiser] c.s. onvoldoende hebben geadstrueerd dat en waarom van een “zeer bijzonder geval” sprake zou zijn, niet slagen, nog daargelaten of ieder handelen “tegen beter weten in” , zoals [eiser] c.s. veronderstellen, daadwerkelijk voor een “zeer bijzonder geval” in de zin van het arrest X/Staat volstaat. In verband met de toepassing van art. 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is het “tegen beter weten in” -criterium inderdaad wel gehanteerd, in het bijzonder in de fiscale rechtspraak . Nog daargelaten dat het criterium van het arrest X/Staat van een “zeer bijzonder geval” strikter is dan dat van art. 2 lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht ( “In bijzondere omstandigheden (…)” ), zijn er aanwijzingen dat de wetgever (ook) bij de toepassing van die laatste bepaling een grotere terughoudendheid heeft beoogd. Zo is bij de parlementaire behandeling van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures opgemerkt :

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04, en de alinea staat in dat document op bytes 57126 tot 58574.