Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Onder 2.9 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:50.

De in de wet uitdrukkelijk als uitsluitend aangemerkte (en ook door de wetgever zo bedoelde ) bevoegdheid van de belasting- c.q. bestuursrechter roept vragen op over het hiervóór (onder 2.7) geciteerde oordeel in rov. 3.3 dat “(o)ok al zou moeten worden aangenomen dat de vordering van X. c.s. in wezen ertoe strekt (…) de Staat te veroordelen in de proceskosten van de voor het hof gevoerde belastingprocedure, dan nog (…) de omstandigheid dat X. c.s. haar hebben gegrond op onrechtmatig handelen van de Staat en de vordering ertoe strekt op die grond schadevergoeding te verkrijgen, mee(brengt) dat de burgerlijke rechter bevoegd is daarvan kennis te nemen.” De leer van het objectum litis , waarop dat oordeel kennelijk berust, lijkt immers niet opgewassen tegen de uitdrukkelijk in de wet in formele zin gemaakte keuze dat bij uitsluiting de belasting- c.q. de bestuursrechter - en dus niet (ook) de burgerlijke rechter - met betrekking tot een veroordeling in de proceskosten van de fiscale c.q. bestuursrechtelijke procedure bevoegd zal zijn. En dat geldt ook voor zover de leer van het objectum litis op art. 112 Grondwet steunt: het staat de rechter immers niet vrij de wet in formele zin aan de Grondwet te toetsen. Voorts moet worden bedacht dat de door de wetgever beoogde uitsluitende bevoegdheid van de belasting- c.q. bestuursrechter niet of nauwelijks van betekenis zou zijn, als zij daadwerkelijk voor het objectum litis zou moeten wijken. Terwijl zich in civiele zaken niet dan bij wijze van hoge uitzondering zal voordoen dat de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij is veroordeeld, door haar onrechtmatig handelen zijn veroorzaakt, is dat laatste in fiscale en bestuursrechtelijke zaken waarin er termen zijn de betrokken overheid in de kosten van de justitiabele te veroordelen, veeleer regel dan uitzondering: de vernietiging van het door de justitiabele aangevochten besluit waaraan een dergelijke kostenveroordeling doorgaans gepaard gaat, impliceert volgens de leer van de besluitaansprakelijkheid immers onrechtmatigheid van dat besluit en bovendien (in beginsel) schuld van de betrokken overheid. Voor de kosten van de bezwaarprocedure, waarop de onderhavige zaak ziet, is de samenloop van de door de Awb beoogde vergoeding van de kosten van de belanghebbende en een verwijtbare onrechtmatige daad van de betrokken overheid zelfs absoluut. Volgens de regeling van art. 7:15 lid 2 Awb (waaraan ingevolge art. 8:75 lid 1, tweede volzin, Awb ook de bij uitsluiting bevoegde bestuursrechter is gebonden) worden die kosten immers uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid wordt herroepen. Bij het doortrekken van de lijn van X/Staat zouden, ondanks de uitsluitende bevoegdheid van de bestuursrechter, vanwege de onrechtmatigheid van het herroepen besluit steeds twee sporen openstaan om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure te claimen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04, en de alinea staat in dat document op bytes 36411 tot 39828.