Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Onder 2.10 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:50.

Ondanks het voorgaande meen ik dat het oordeel in het arrest X/Staat , in de context waarin het werd gewezen, alleszins kan worden gerechtvaardigd. Het arrest moet worden bezien tegen de achtergrond van de jurisprudentie van de (bij uitsluiting bevoegde) belastingrechter, die (tot 1 september 1999) meer malen heeft geoordeeld dat een beroep op rechtstreeks werkend internationaal recht, strekkende tot onverbindendverklaring van art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, althans van het Bpf, althans van de daarbij behorende bijlage, zou neerkomen op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, waarvan de belastingrechter geen kennis neemt . Ik deel het oordeel van A-G Wattel in diens conclusie onder 5.21 voor het arrest dat moeilijk valt in te zien waarom in de belastingprocedure geen plaats zou zijn voor een beoordeling van de vraag of forfaitering van de fiscale proceskosten verenigbaar is met rechtstreeks werkend internationaal recht, meer in het bijzonder met rechtstreeks werkend (voorheen) gemeenschapsrecht (thans Unierecht). A-G Wattel, die terecht heeft gewezen op de ook voor de belastingrechter - zelfs reeds naar nationaal recht - bestaande mogelijkheid (zo niet verplichting) de betrokken bepalingen bij strijd met rechtstreeks werkend recht van hogere orde buiten toepassing te laten, suggereerde in zijn conclusie dat het vooralsnog ontbreken van een bepaling als die van art. 8:73 Awb een rol heeft gespeeld in de terughoudendheid van de belastingrechter met betrekking tot aanspraken van de belastingplichtige die met een onrechtmatige daad van de betrokken overheid verband zouden kunnen houden. Wat daarvan zij, door de opstelling van de belastingrechter zou feitelijk een hiaat in de rechtsbescherming zijn ontstaan, als de vraag of de forfaitering van de fiscale proceskosten niet óók aan de burgerlijke rechter zou kunnen worden voorgelegd. Op die grond heeft A-G Wattel bevoegdheid van de burgerlijke rechter verdedigd, hoe weinig het ook naar zijn oordeel voor de hand ligt dat de bij uitsluiting tot toepassing van de betrokken bepalingen bevoegde belastingrechter voor een toetsing van die bepalingen aan rechtstreeks werkend internationaal recht in wezen verwijst naar de burgerlijke rechter, die juist door de wetgever in formele zin uitdrukkelijk was en is uitgesloten (conclusie onder 5.21). Aan het beeld dat de burgerlijke rechter aldus in wezen is gaan zitten op de stoel van de bij uitsluiting bevoegde belastingrechter, draagt overigens bij dat de Hoge Raad, alhoewel hij de burgerlijke rechter bevoegd acht, diens mogelijkheden tot afwijking van de forfaitaire vergoeding niet ruimer heeft bepaald dan de mogelijkheden waarover de belastingrechter bij reguliere toepassing van het Bpf reeds beschikte: terwijl de Hoge Raad slechts in zeer bijzondere gevallen een dergelijke afwijking mogelijk achtte, voorzag het Bpf reeds (in art. 2 lid 3) in de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire berekening af te wijken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04, en de alinea staat in dat document op bytes 39908 tot 43097.