Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Onder 2.11 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:50.

1. De eisende partijen vorderden in een civiele procedure een aanvullende proceskostenvergoeding. Op grond van EG-recht claimden zij een hoger bedrag aan vergoeding voor kosten van rechtsbijstand dan zij bij de belastingrechter hadden gekregen op basis van de forfaitaire regeling, die destijds was opgenomen in het Besluit proceskosten fiscale procedures (BPF). Volgens de Belastingkamer van de Hoge Raad is er dan sprake van een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Onder het destijds geldende procesrecht achtte de belastingrechter zich niet bevoegd om over dergelijke vorderingen te beslissen (HR 4 oktober 1995, nr. 29 594, BNB 1996/32c*). Het lag daarom voor de hand dat de Burgerlijke Kamer van de Hoge Raad zich daartoe wel bevoegd zou verklaren. Anders zou er een procesrechtelijk vacuüm optreden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee40a72e1b07dcb10b011cee81810e25ce56d486bed8c1403e2832a249e7db04, en de alinea staat in dat document op bytes 43524 tot 44371.