Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2013
Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2013
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:528.
3.4. Voorts stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat er onvoldoende aanwijzingen waren om tot controle over te gaan. Deze stelling is evenwel in feitelijke aanleg ten aanzien van feit 5, waarvoor verdachte is veroordeeld, niet betrokken. Wel heeft de advocaat van verdachte aangevoerd dat [medeverdachte 2], het bedrijf van verdachte, al eerder is veroordeeld voor de onvergunde opslag van overgebrachte afvalstoffen bij [A] B.V. In de pleitnota's die zijn gehecht aan het proces-verbaal van 25 januari 2011, noch in hetgeen dat proces-verbaal overigens inhoudt lees ik dat zo een bezwaar aan het hof is voorgelegd. Volgens het arrest is enkel aangevoerd dat verdachte ten onrechte voorwerp van onderzoek is geworden omdat er nog geen verdenking jegens hem bestond. Op dat bezwaar heeft het hof geantwoord dat verdenking niet nodig is. Ik schaar mij achter dit oordeel van het hof en verwijs daartoe naar HR 9 maart 1993, NJ 1993, 633 m.nt. ThWvV, waarin de Hoge Raad over artikel 23 WED het volgende overwoog:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ab46f05a69051dcc285550f3b9d10ddfea8299856960553be7a605bb3ab00a58. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ab46f05a69051dcc285550f3b9d10ddfea8299856960553be7a605bb3ab00a58, en de alinea staat in dat document op bytes 9590 tot 10630.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ab46f05a69051dcc285550f3b9d10ddfea8299856960553be7a605bb3ab00a58 | shasum -a 256