Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2013

Onder 5.6. Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:828.

De steller van het middel klaagt ten slotte over het gebruik voor het bewijs van de verklaring van getuige [betrokkene 2] (bewijsmiddel 4), voor zover die inhoudt: “Naar mate de achtervolging doorging werd mijn duidelijk dat ze deze goederen naar buiten gooiden om mij te raken en daarmee af te schudden”. Deze verklaring zou aldus een conclusie bevatten en geen waarneming, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt waarop de getuige deze conclusie heeft gebaseerd. Ik stel voorop dat het Hof de opzet op zware mishandeling bewezen heeft verklaard in de vorm van voorwaardelijk opzet. Dat brengt mee dat de bedoelingen en de motieven van de stenengooiers niet van beslissende betekenis zijn. Gelet daarop heeft het Hof de bedoelde verklaring van [betrokkene 2] kennelijk gebruikt als de weergave van een gedachte die zich bij hem opdrong en welke gedachte iets zegt over de wijze en de duur van het gooien van de stenen, namelijk dat die zodanig was dat [betrokkene 2] door de stenen gemakkelijk kon worden geraakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bdb04eddda721e047136255488bce62d793385912f902e62b478d92644439477. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bdb04eddda721e047136255488bce62d793385912f902e62b478d92644439477, en de alinea staat in dat document op bytes 24102 tot 25139.