Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2013

Onder 2.29. Parket bij de Hoge Raad 20 september 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:879.

Het oordeel dat het beroep op de bewijsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft het hof gegrond op de daaraan voorafgaande vaststelling dat de belastingplichtige uit de verklaringen en gedragingen van partijen redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de overeenkomst van 3 april 2008 een juridisch bindende tussentijdse afspraak in de zin van art. 4.5 eerste bullet is, ondanks het feit dat de handtekening van de mediator ontbreekt. In zoverre deelt de klacht het lot van de vorige middelonderdelen. Onderdeel 2 onder f leidt voor het overige niet tot cassatie: het hof heeft kennelijk bedoeld dat, als het inderdaad om een ‘bewijsovereenkomst’ gaat, een beroep van de Belastingdienst op de bewijsrechtelijke beperkingen die van de mediationovereenkomst het gevolg zijn (samengevat in mijn woorden: partijen laten aan de rechter niet weten wat er tijdens de schikkingsonderhandelingen − in dit geval: tijdens het mediationtraject − besproken is) niet verenigbaar is met het maken van een tussentijdse juridisch bindende afspraak in de zin van art. 4.5, eerste bullet . Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het maken van een dergelijke juridisch bindende afspraak vormt in de redenering van het hof een overeengekomen uitzondering op de hoofdregel van geheimhouding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec5fa135ef4e5fa3df4623b4612c7162f4c3df0dd84beeaab52928dbec368884. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec5fa135ef4e5fa3df4623b4612c7162f4c3df0dd84beeaab52928dbec368884, en de alinea staat in dat document op bytes 52200 tot 53599.