Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2013

Onder 2.20. Parket bij de Hoge Raad 20 september 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:893.

De kwestie van de reactie van de man “in zijn akte van 5 april 2011” is gelet op de context een kennelijke verschrijving, nu het hof onmiskenbaar de reactie van de man in diens antwoordakte van 3 mei 2011 bedoelt volgend op de akte van de vrouw van 5 april 2011. Dat de vrouw zich er niet op zou hebben beroepen dat het hier een aan de man verknochte schuld betreft, mist feitelijke grondslag. Uit de antwoordakte van de vrouw van 5 april 2011 blijkt dat de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat de hypotheekschuld van € 18.151,21 buiten de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt nu deze hypotheek rustte op een zakelijk pand dat toebehoorde aan de man en zijn zus en dat met de verkregen geldlening successierecht is betaald voor goederen die de man heeft verkregen uit de nalatenschap van zijn vader, die niet in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen als gevolg van een uitsluitingsclausule. Het hof heeft hieruit mogen opmaken dat de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat de hypotheekschuld niet in de gemeenschap tussen partijen is gevallen, omdat er sprake was van een aan de man verknochte schuld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9cd104ad445593b828afd2b332aaec257363b398b26a76d4ca1f268307493700. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9cd104ad445593b828afd2b332aaec257363b398b26a76d4ca1f268307493700, en de alinea staat in dat document op bytes 33643 tot 34797.