Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2013

Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:921.

Mijns inziens zijn de gevolgen van een (af)splitsing over het algemeen te complex om aan de gedachte van relatieve nietigheid recht te kunnen doen: de gevolgen van het ongedaan maken of ‘wegdenken’ van een (af)splitsing moeten in verband met allerlei inmiddels verrichte andere (rechts)handelingen worden bezien. Wanneer de curator mag handelen alsof de (af)splitsing nooit had plaatsgehad, zou hij de verkrijgende vennootschap kunnen leegtrekken. Een dergelijke vennootschap heeft mogelijkerwijs inmiddels nieuwe crediteuren gekregen die te goeder trouw meenden zich te kunnen verhalen op een bij de (af)splitsing –die op het handelsregister is gepubliceerd- verkregen goederen. Er kunnen bij de (af)splitsende vennootschap nieuwe crediteuren zijn opgekomen die ineens een verhaalsobject in de schoot geworpen krijgen. Daarbij komt nog dat de verkrijgende vennootschap vaak bij de akte van afsplitsing is opgericht. Wordt die oprichting met terugwerkende kracht door het inroepen van art. 42 Fw nietig? Ik vind om die reden het inroepen van de nietigheid van een (af)splitsing zo ongeveer vier jaar na de splitsing, zoals in het onderhavige geval is geschied, in het algemeen bezwaarlijk. Maar dat heeft de Richtlijngever en ook de Nederlandse wetgever dan ook niet gewild. Ik verwijs naar art. 19, lid 1, onder c van de Zesde Richtlijn waarin onomwonden is bepaald dat de vordering tot nietigverklaring van de splitsing binnen zes maanden na de datum van publicatie van de splitsing dient te worden ingediend. Dat lijkt mij een juiste bepaling omdat een vennootschap vaak zo’n dynamisch karakter heeft. Er kan zelfs in zes maanden veel bij een vennootschap veranderen. De Nederlandse wetgever ziet dit niet anders getuige art. 2: 334u, lid 3 BW. Juist lijkt mij ook de gedachte van de Richtlijngever en de Nederlandse wetgever dat vernietiging van een splitsing, voor zover mogelijk, steeds dient plaats te hebben onder begeleiding van de rechter (zie art. 19, lid 1, onder a van de Zesde Richtlijn en art. 2: 334u, lid 2 BW). Het is belangrijk dat de rechter goed let op wat de gevolgen van het terugdraaien van een splitsing zijn en zonodig die gevolgen bijstuurt (zie de mogelijkheden die art. 2:334 u, lid 4, onder b BW en art. art. 2:334u, lid 5 BW daartoe biedt).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7c4a925a7e0203099c2df8ee4180da985bd292ad28550cc84c980eb6b7ac8b54. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7c4a925a7e0203099c2df8ee4180da985bd292ad28550cc84c980eb6b7ac8b54, en de alinea staat in dat document op bytes 47093 tot 49452.