Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2013

Onder 2.1 Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2013

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:989.

Het cassatiemiddel is gericht tegen de hiervoor in 1.14 weergegeven rov. 3.7 t/m 3.11 (alsmede tegen de daaruit voortvloeiende rov. 4 en het dictum). Het bestaat uit een algemene inleiding op de cassatieklachten (I.1 en I.2) en vijf onderdelen (a t/m e, nader uitgewerkt in klachten II t/m VI). Onderdeel a met uitwerking in II klaagt dat het hof in rov. 3.7 van het bestreden arrest heeft miskend dat het moment waarop het deskundigenrapport beschikbaar is, niet bepalend is, ook niet voor het aannemen van de uitzondering in art. 7:629a lid 2 BW. Dit onderdeel valt uiteen in twee rechtsklachten, namelijk II.1 , dat tijdsverloop geen reden kan zijn voor verwerping van een beroep op de uitzondering van lid 2 en verder, in II.2 , dat het uitgangspunt van het hof dat efficiëntie en dynamiek van het re-integratieproces één van de doelen van art. 7:629a BW zou zijn, niet volgt uit de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling. Onderdeel b met uitwerking in III voert aan dat het hof in rov. 3.8 heeft miskend dat [eiser] omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat overlegging van een second opinion redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden en dat het daarmee ook heeft miskend dat de rechter daarover tevens op andere wijze kan worden geïnformeerd, zodat de tweede uitzondering van art. 7:629a lid 2 BW opgaat. In onderdeel c met uitwerking in IV voert [eiser] aan dat het hof in rov. 3.9 en 3.10 heeft miskend dat, naast verzekeringsarts Schoorl, ook bezwaarverzekeringsarts Hoffman bij uitstek de informatie kon verschaffen die nodig was voor de vraag of [eiser] in staat was de aangeboden werkzaamheden te verrichten. Onderdeel d met uitwerking in V richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9 en 3.10 dat bezwaarverzekeringsarts Hoffman niet de benodigde informatie heeft verschaft voor het antwoord op de vraag of [eiser] in staat was de aangeboden werkzaamheden te verrichten. In de vorm van een subsidiaire cassatieklacht wordt in onderdeel e met uitwerking in VI aangekaart dat het hof heeft miskend dat de sanctie voor het ontbreken van een second opinion in de zin van art. 7:629a lid 1 BW niet-ontvankelijkheid moet zijn en niet het afwijzen van de vordering, zoals het hof heeft gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dc31fdec3116fc58286d72d39d70d8c0a9f42475ae9f767e84e4cccea6b5f023. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dc31fdec3116fc58286d72d39d70d8c0a9f42475ae9f767e84e4cccea6b5f023, en de alinea staat in dat document op bytes 25205 tot 27811.