Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2013
Onder 2.7 Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2013
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:989.
Art. 7:629a lid 1 BW geeft aan dat de deskundigenverklaring moet inhouden dat de werknemer door zijn ziekte niet in staat is tot werken. Voor zover de werknemer niet volledig arbeidsongeschikt is, zal de verklaring moeten aangeven welke passende arbeid de werknemer nog kan verrichten . Het artikel bepaalt niet uitdrukkelijk door welke deskundige de second opinion moet worden verricht, alleen dat deze door het UWV benoemd moet zijn . In de parlementaire geschiedenis wordt hierover opgemerkt dat het eerste oordeel omtrent de ziekte in het algemeen gegeven zal moeten worden door een arts. Wanneer het gaat om de vraag welke arbeid de werknemer nog kan verrichten, kan ook een arbeidskundige expertise vereist zijn. De wet laat toe dat in een dergelijk geval een arbeidsdeskundige als deskundige wordt aangewezen, al gebeurt dat in de praktijk vrijwel nooit . De keuze voor het UWV als instantie (ten tijde van de MvT van het wetsvoorstel nog: de bedrijfsverenigingen) berust op drie overwegingen. Ten eerste deskundigheid met zowel medische als arbeidskundige expertise. Ten tweede onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten opzichte van zowel werkgever als werknemer. Ten derde kostenbeperking . Zowel werkgever als werknemer kunnen een second opinion aanvragen. Ook indien de uitkomst van de second opinion voor de werknemer negatief is, kan deze zich tot de rechter wenden, die ook niet aan het deskundigenoordeel is gebonden (maar dit wel doorgaans zal volgen). De wet en parlementaire geschiedenis bevatten geen vormvereisten waaraan de deskundigenverklaring dient te voldoen en ook geen wettelijk voorgeschreven procedure voor het aanvragen ervan . Wel bevatten wet en parlementaire geschiedenis enige bepalingen over de wijze waarop de deskundige zijn taak dient uit te oefenen. De deskundige is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en naar beste weten uit te voeren (art. 7:629a lid 3 BW). Onder onpartijdig – zonder vooringenomenheid – dient volgens Heida te worden begrepen dat hoor en wederhoor moet worden toegepast in de zin dat contact is aangewezen met zowel de werknemer, als de werkgever en/of de bedrijfsarts. Wordt dat nagelaten, dan kent de rechter aan het betreffende deskundigenoordeel geen of slechts beperkte betekenis toe. Voorts kan de deskundige die tevens arts is, inlichtingen inwinnen bij de behandelend arts van de werknemer, voor zover hiermee niet de persoonlijke levenssfeer van de werknemer wordt geschaad (art. 7:629a lid 4 BW). Tenslotte kan de rechter ambtshalve of op verzoek van partijen bevelen dat de deskundige zijn verklaring nader toelicht (art. 7:629a lid 5 BW). In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat deze bepalingen overeenstemmen met de bestuursrechtelijke regels voor deskundigenonderzoek bij Ziektewetgeschillen (artikelen 8:34, lid 1 en 8:48 Awb) .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dc31fdec3116fc58286d72d39d70d8c0a9f42475ae9f767e84e4cccea6b5f023. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dc31fdec3116fc58286d72d39d70d8c0a9f42475ae9f767e84e4cccea6b5f023, en de alinea staat in dat document op bytes 33624 tot 36965.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dc31fdec3116fc58286d72d39d70d8c0a9f42475ae9f767e84e4cccea6b5f023 | shasum -a 256