Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2013
Alinea 75 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2013
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BX5539.
15. In beide zaken was voor het bewijs gebruik gemaakt van schriftelijke slachtofferverklaringen. In de zaak van Al-Khawaja, die was veroordeeld wegens twee gevallen van aanranding, kon één van de slachtoffers niet worden gehoord omdat zij na het afleggen van een verklaring tegenover de politie was overleden; in de zaak van Tahery, die was veroordeeld wegens mishandeling, hoefde een getuige, die tegenover de politie een verklaring had afgelegd niet ter terechtzitting te verschijnen wegens vrees voor het afleggen van een verklaring als getuige. Al-Khawaja en Tahery klaagden beiden over schending van art. 6 lid 3 onder d jo 6 lid 1 EVRM omdat zij de getuigen niet hadden kunnen ondervragen hoewel het bewijs uitsluitend of in hoofdzaak berustte op hun verklaringen. In de zaak Al-Khawaja was het slachtoffer de enige directe getuige van het delict, in de zaak Tahery was de getuige de enige die gezien had dat Tahery de persoon was die het slachtoffer met een mes had gestoken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9ffaffeb120ec00fd4d1a33a661ead093488ae5e3e5419422e8d385487057300. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9ffaffeb120ec00fd4d1a33a661ead093488ae5e3e5419422e8d385487057300, en de alinea staat in dat document op bytes 39015 tot 40013.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9ffaffeb120ec00fd4d1a33a661ead093488ae5e3e5419422e8d385487057300 | shasum -a 256