Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014

Onder 3.6.2. Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:162.

“2. Ten aanzien van de vraag of op een ontslagvergoeding - of meer algemeen gezegd op loon uit vroegere dienstbetrekking - de 30%-regeling van toepassing is, is het standpunt van de besluitgever in elk geval duidelijk: de regering had in de toelichting bij het conceptbesluit waarin een en ander was geregeld ter zake een expliciet standpunt ingenomen, te weten dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De Tweede Kamer heeft geen aanleiding gezien op dat standpunt te reageren, laat staan het af te wijzen. Mag nu de algemene opvatting worden gehuldigd dat de Kamer die zwijgt toestemt? De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend en ik onderschrijf in staatsrechtelijke zin die opvatting. Zou dat anders zijn dan zou ten aanzien van elk onderdeel dat een wetgever aan de medewetgever voorlegt een expliciete aanvaarding, dan wel afwijzing moeten plaatsvinden. Dat is echter van geen van beiden de taak. De medewetgever- zijnde in dit geval het parlement - heeft alleen tot taak te bezien of een voorgestelde regeling als geheel en op onderdelen juridisch houdbaar en wenselijk is en kan zich in zijn reactie beperken tot zaken waarin hij zich om wat voor reden dan ook niet (volledig) kan vinden. In het wetgevingsproces betekent vervolgens dan de instemming door middel van stemming - waarbij die regeling al dan niet gewijzigd is door amendering of anderszins - aanvaarding van zowel de wettekst als de toelichting daarbij. De wetgever als geheel - beide medewetgevers scharen zich dan, althans in meerderheid, achter de wet en de toelichting daarbij - is dan akkoord met de voorgestelde regeling, tenzij anders aangegeven. Afwijkende stemverklaringen en afwijkende opmerkingen tijdens de parlementaire behandeling doen niets af aan een aanvaarde wettelijke regeling. Ten aanzien van een besluit - zoals in de onderhavige zaak aan de orde is - kan hierover wellicht anders worden gedacht omdat een dergelijke AMvB nu eenmaal niet de uitdrukkelijke goedkeuring van de medewetgever behoeft. De medewetgever kan echter over een AMvB uitdrukkelijk staatsrechtelijk oordelen en kan deze zonodig onaanvaardbaar achten, een en ander op basis van een zogenoemde voorhangprocedure. Ik acht een dergelijk verschil in benadering tussen een wet - expliciete goedkeuring vereist door de medewetgever - en een AMvB - impliciete goedkeuring tenzij expliciet verzocht om parlementaire goedkeuring - geen relevant verschil voor de juridische houdbaarheid van een AMvB. Een dergelijk verschil is er staatsrechtelijk ook niet. Op dit punt onderschrijf ik derhalve het oordeel van de Hoge Raad.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2, en de alinea staat in dat document op bytes 79805 tot 82415.