Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014
Onder 8.7 Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:162.
Uit HR BNB 2004/102 (zie 6.1) volgt dat het niet geheel sporen van de technische uitwerking van een regeling met doel en strekking van de formele wet waarvan die regeling uitwerking is, niet zonder meer betekent dat die regeling niet zou verbinden, alsmede dat het stilzwijgen van het parlement bij het ‘voorhangen’ van de voorgenomen uitvoeringsregeling bijdraagt aan het vermoeden dat de uitvoeringsregeling binnen het delegatiekader van de delegerende formele wet blijft. Belanghebbendes zaak verschilt op twee punten van HR BNB 2004/102. Ten eerste had de gedelegeerde wetgever in HR BNB 2004/102 kennelijk geen keuze: er was geen werkbaar alternatief voor de gewraakte verwijzing in de Rtizz naar uitsluitend 1999 als referentiejaar (zie het commentaar van V-N in 6.1), hetgeen voor u reden kan zijn geweest om die verwijzing te sauveren ondanks haar onvermogen om het gewenste duurzame inkomensperspectief te vangen. Voor het criterium ‘schriftelijk’ als constitutief vereiste voor premieverlaging is wél een alternatief voorhanden, dat bovendien beter aan doel en strekking van de regeling beantwoordt, nl. het opvatten van dat criterium als een bewijs(lastverdelings)regel. Voor zover tekst en parlementaire geschiedenis enige aanwijzing bevatten van de ratio van het criterium ‘schriftelijk’, is het die dat er iets zou moeten ‘blijken’ c.q. dat er administratieve lasten door beperkt zouden worden c.q. dat controle eenvoudiger wordt (zie 8.4 tot en met 8.6 hierboven). Die aanwijzingen sporen zeer wel met de uitleg dat het om een regel gaat die bij aanwezigheid van een (kopie-)geschrift een bewijsvermoeden in het voordeel van de werkgever vestigt en bij afwezigheid van een (kopie-)geschrift een bewijsvermoeden in diens nadeel. Ten tweede stond de Rtizz, hoewel nogal grof in haar uitwerking door slechts één referentiejaar aan te wijzen, niet in de weg aan bereiking van het materiële doel van de wet. Dat is bij het criterium ‘schriftelijk’ in art. 2.3 Besluit Wfsv anders indien het wordt uitgelegd als een constitutief vereiste voor het recht op lage premie. Een dergelijke blinde formele eis frustreert immers het doel van de regeling: hoewel aan alle vanuit dat doel bezien relevante criteria (de criteria (ii) t/m (iv) genoemd in 8.1 hierboven) is voldaan, en daarmee het doel van de regeling is bereikt, zoals in belanghebbendes geval, wordt niettemin de werkgever, die volgens het doel van de regeling beloond zou moeten worden met de lage premie, juist bestraft met de hoge premie voor zijn goede WW-besparende gedrag. In gevallen zoals dat van de belanghebbende leidt uitleg van het schriftelijk-criterium als constitutief vereiste dus tot contrateleologisch en contraproductief resultaat. Dat zal denkelijk ook niet bevorderlijk zijn voor de premiemoraal van werkgevers in sectoren waar mondeling gecontracteerd wordt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2, en de alinea staat in dat document op bytes 112811 tot 115763.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2 | shasum -a 256