Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014
Onder 4.2 Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:162.
(ii) ook de veronderstelling (r.o. 4.15) dat het schriftelijkheidsvereiste zou zijn gesteld tot bescherming van de werkgever is onjuist: ook daarvoor bieden tekst noch toelichting aanknopingspunten. Die eis is veeleer gesteld om aanstonds en eenvoudig het juiste premiebedrag te kunnen bepalen. Zou een mondelinge arbeidsovereenkomst volstaan, dan zou de fiscus ook nog moeten onderzoeken of een dienstbetrekking van ten minste een jaar is overeengekomen, wat de uitvoeringslasten aanzienlijk verzwaart. Gelet op de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van 21 december 2004 (zie 5.4 hierna) is de schriftelijke vorm ingegeven door de wens van de wetgever om een regeling te ontwerpen die goed, tegen lage kosten, uitvoerbaar is en zo weinig mogelijk administratieve lasten voor werkgevers meebrengt. De geschriftseis dient vooral het publieke belang bij een (aanstonds) juiste en uitvoerbare premieheffing. Daaraan doet HR BNB 2012/175 niet af omdat in die zaak doel en strekking van de ZW - bescherming van de werknemer - juist meebrachten dat de geschriftseis niet werd gesteld. In belanghebbendes geval verlangen doel en strekking van de regeling - werkgeversprikkels om cyclische werkloosheid te verminderen - juist wel dat het schriftelijkheidsvereiste wordt gesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2, en de alinea staat in dat document op bytes 34487 tot 35800.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ccd33d0a03ccec92dc1e1ba913dd9fc1b4560b9cffe6bb30287dd7f0b947b7b2 | shasum -a 256