Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 12. Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1641.

Zie ook HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1118, NJ 2010/215, waar het ging om de verjaring van een vordering tot schadevergoeding wegens strafvorderlijk optreden. In cassatie werd geklaagd dat het hof met zijn oordeel dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na de aanhouding, heeft miskend dat eisers niet in staat waren de vordering tot vergoeding van de onderhavige schade eerder in te stellen dan nadat het strafvonnis onherroepelijk was geworden omdat eerst toen bleek van hun onschuld. Uw Raad verwierp deze klacht met de overweging dat uitgangspunt van de gedachtegang van het hof inzake de aanvang van de verjaringstermijn is geweest dat eisers van meet af aan zelf hebben kunnen beoordelen of de verdenking waarop de strafvervolging was gebaseerd terecht was. Bij dat in cassatie niet bestreden uitgangspunt, dat impliceert dat eisers zelf vanaf het begin hebben kunnen weten dat die verdenking niet terecht was, geeft het oordeel van het hof dat zij toen ook al daadwerkelijk in staat waren een vordering tot schadevergoeding tegen de Staat geldend te maken, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Aldus uw Raad.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c8e181d1535f2511a4a71c15fdb087c91e05379b2c8a8f57cf41dca6f749b9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c8e181d1535f2511a4a71c15fdb087c91e05379b2c8a8f57cf41dca6f749b9f, en de alinea staat in dat document op bytes 40019 tot 41171.