Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 13. Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1641.

Mede in verband met de eis van “bekendheid met de schade”, is de vraag gesteld of de vordering tot schadevergoeding opeisbaar moet zijn en dus ook schade moet zijn ontstaan om de verjaring een aanvang te laten nemen. In het arrest van 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, RvdW 2012/534 – waarin het ging om de verjaring van de regresvordering ex art. 6:10 BW van de hoofdelijk medeschuldenaar – overwoog uw Raad dat weliswaar in art. 3:310 lid 1 BW de opeisbaarheid van de vordering niet uitdrukkelijk als voorwaarde voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn wordt genoemd, maar dat zulks wel besloten ligt in de eis van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, en in de eis dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Uw Raad overwoog in dat verband dat de bepaling van art. 3:310 lid 1 BW kennelijk is gebaseerd op het normale geval dat bekendheid met de schade bestaat omdat die schade er al is. Uw Raad benadrukte dat de verjaring van art. 3:310 lid 1 BW het rechtsgevolg van het tenietgaan van de rechtsvordering verbindt aan het gedurende zekere tijd niet geldend maken daarvan, waarvoor nodig is dat de rechtsvordering reeds opeisbaar is, zoals tot uitdrukking komt in het algemeen geformuleerde art. 3:313 BW, zodat de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 niet eerder een aanvang kan nemen dan op de dag waarop de schadevordering opeisbaar is geworden, ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is (vgl. HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9416, NJ 2003/680). Dat onder omstandigheden een vordering tot vergoeding van toekomstige schade kan worden ingesteld (art. 6:105 BW), maakt dat niet anders. Hierbij verdient nog opmerking – aldus uw Raad – dat een verjaringstermijn die op de voet van art. 3:310 lid 1 is gaan lopen, mede geldt voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden, omdat in zoverre sprake is van afzonderlijke elementen van de reeds ingetreden schade . Uw Raad verwees daarbij naar HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3686, NJ 2001/655 en naar HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041, NJ 2012/195 m.nt. C.E. du Perron onder NJ 2012/196.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c8e181d1535f2511a4a71c15fdb087c91e05379b2c8a8f57cf41dca6f749b9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c8e181d1535f2511a4a71c15fdb087c91e05379b2c8a8f57cf41dca6f749b9f, en de alinea staat in dat document op bytes 41291 tot 43695.