Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 25. Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1641.

De bedoeling van partijen tot beëindiging van de procedure, zal in de regel blijken uit een uitdrukkelijk daarop gerichte partijafspraak die schriftelijk is vastgelegd, doch kan onder omstandigheden ook worden afgeleid uit over en weer afgelegde verklaringen of uit gedragingen van partijen nu voor een partijafspraak als hier aan de orde geen vormvoorschrift geldt. Aldus ook G. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 246 Rv, aant. 3, met verwijzing naar onder meer HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3818, NJ 2000/235, m.nt. P.A. Stein. Zie ook Van Mierlo/Van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg, 2011, nr. 243. De rechter die zich gesteld ziet voor de vraag of als gevolg van een doorhaling op de rol een procedure ook definitief geëindigd is, dient derhalve te beoordelen of partijen dit rechtsgevolg hebben beoogd. Nu uitgangspunt is dat een doorhaling geen rechtsgevolgen heeft, zal op de partij die zich beroept op het rechtsgevolg dat de procedure met de doorhaling definitief is geëindigd, de last rusten daartoe het nodige te stellen. Vgl. Hof Den Bosch van 5 maart 2013, ECL:NL:GHSHE:2013:BZ3317 en Hof Amsterdam 21 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9272, NJF 2012/201.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c8e181d1535f2511a4a71c15fdb087c91e05379b2c8a8f57cf41dca6f749b9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c8e181d1535f2511a4a71c15fdb087c91e05379b2c8a8f57cf41dca6f749b9f, en de alinea staat in dat document op bytes 67943 tot 69181.