Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 1.6. Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1709.

Dat partijen in dit geval een andere (lees: veel beperktere) bedoeling hadden is echter niet gebleken. Integendeel, volgens SGE is over deze vertrekregeling in het geheel niet nader gesproken. Van doorslaggevend belang bij dit soort bepalingen in een arbeidsovereenkomst in dit soort situaties is (immers) dat een werkgever (en niet de werknemer) een beëindiging van de arbeidsovereenkomst nastreeft en daartoe het voortouw neemt, waarbij de vorm waarin dat (uiteindelijk) gebeurt slechts van ondergeschikt belang is te achten. Het is voorts uit het oogpunt van ongelijkheidscompensatie onwenselijk dat de vorm waarin de werkgever een beëindiging van de arbeidsverhouding giet bepalend is voor het antwoord op de vraag of de werknemer aanspraak kan maken op een vooraf overeengekomen beëindigingsvergoeding (vergelijk AG Timmerman in 2.8. van zijn conclusie bij HR 25 juni 2004, NJ 2006, 213). Het is immers die eenzijdige vorm van (overigens wettelijk geoorloofde) beëindiging door SGE waartegen artikel 10 uit de arbeidsovereenkomst een zekere financiële bescherming biedt aan [de werknemer]. Nu de letterlijke tekst van de hier aan de orde zijnde bepaling in juridische zin een andere meer beperkte betekenis heeft dan de werkelijke strekking van die tekst, terwijl SGE niet heeft gesteld dat [de werknemer] over deze rechtskennis beschikte, hoefde [de werknemer] redelijkerwijs niet de door SGE voorgestane betekenis aan artikel 10 van de arbeidsovereenkomst toe te kennen. Enig aanknopingspunt voor een andere veel striktere en daarmee zuiver taalkundige uitleg als door SGE voorgestaan valt in haar feitelijke stellingen niet te ontwaren. De omstandigheid dat over deze vertrekregeling verder niet is onderhandeld (of zelfs maar gesproken in de visie van SGE) maakt dat niet anders, integendeel, zoals hiervoor is overwogen. In zoverre is de grief gegrond en kan het daartoe strekkende bewijsaanbod van [de werknemer] verder buiten beschouwing blijven.” (rov. 4.3.2)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa09c8e0a443c3cc3864641bbd5bf946be0771be5a063b6697eabea04607f28a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa09c8e0a443c3cc3864641bbd5bf946be0771be5a063b6697eabea04607f28a, en de alinea staat in dat document op bytes 17612 tot 19604.