Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Onder 2.4. Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1709.

De aldus door de Hoge Raad aanvaarde mogelijkheid, in de vakliteratuur meestal aangeduid als ‘de Baijings-leer’, heeft geleid tot een uitvoerige jurisprudentie over de vraag in welke gevallen de exclusiviteit van de ontbindingsvergoeding in de weg staat aan het toewijzen van een vergoeding aan de werknemer na het einde van de dienstbetrekking . Daarbij gaat het enerzijds om gevallen waarin de werknemer een vordering instelt tot het verkrijgen van een (aanvullende) vergoeding op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid of op grond van de eisen van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) . Die categorie blijft verder buiten beschouwing, evenals de gevallen waarin een gewezen werknemer vergoeding vordert van schade als gevolg van een arbeidsongeval (art. 7:658 BW). Anderzijds gaat die jurisprudentie over gevallen waarin de werknemer, nadat de kantonrechter een vergoeding heeft toegekend bij gelegenheid van een ontbinding op de voet van art. 7:685 lid 8 BW, nakoming vordert van een overeengekomen afvloeiingsregeling .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa09c8e0a443c3cc3864641bbd5bf946be0771be5a063b6697eabea04607f28a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa09c8e0a443c3cc3864641bbd5bf946be0771be5a063b6697eabea04607f28a, en de alinea staat in dat document op bytes 25305 tot 26616.