Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2014
Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1736.
Om te kunnen begrijpen op basis waarvan het HvJ EU bevoegd zou zijn het auteursrechtelijke werkbegrip te harmoniseren moet men buitengewoon geleerd zijn . Anders dan Hugenholtz, Visser en Verkade meen ik dat de vraag of de beide toetsen overeenstemmen vooral vanuit een ordeningsgedachte bezien moet worden. De Hoge Raad moet - als dat ook maar enigszins mogelijk is - overeind houden dat er geen verschil is tussen de beide toetsen, zodat de Nederlandse rechtspraak over het werkbegrip betekenis houdt en de formele plaats van het HvJ EU in de Europese rechtsorde zoveel als mogelijk wordt gerespecteerd. Anders dan Visser meen ik dan ook dat er geen prejudiciële vragen gesteld moeten worden over de werktoets ; althans zie ik in het onderhavige geval niet in waaruit die vragen zouden moeten bestaan. Het HvJ EU beantwoordt vragen over Europese richtlijnen en verordeningen en dat is iets anders dan het beantwoorden van algemene vragen over uitspraken van het HvJ EU in verhouding tot concrete uitspraken van de Hoge Raad. Voor prejudiciële vragen moet in de eerste plaats aanleiding gevonden kunnen worden in onzekerheid over de uitleg van een Europese richtlijn of verordening. Ik zie een dergelijke aanleiding niet. Hoewel in het kader van een (afgewezen) verzoek om een spoedbehandeling partijen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat de Hoge Raad een vraag zou stellen, is in cassatie geen begrip of bepaling uit een artikel uit een richtlijn of een verordening genoemd waarover de Hoge Raad een vraag zou kunnen stellen. De Hoge Raad moet de rechtspraak van het HvJ EU volgens mij zelfstandig uitleggen en vermeden moet worden dat via vragen-over-eerdere-vragen een soort vierde instantie ontstaat, die te zeer los van de eenvormige uitleg van Europese regelgeving komt te staan. De lagere Britse rechtspraak neigt naar een vergelijkbare conclusie; evenals de Duitse . De ‘nationale’ werktoets geldt volgens mij dan ook onverkort en is in overeenstemming (of moet worden geacht in overeenstemming te zijn) met de rechtspraak van het HvJ EU. Een andere uitkomst zou onaanvaardbaar zijn vanuit de rechtszekerheid. Met name de formulering ‘intellectuele schepping’ in EIS laat ruimte voor EOKPS . Ik signaleer eveneens dat EOKPS/EIS volgens mij goed verenigbaar is met het werkbegrip uit de zogenaamde Wittem-code, die door verschillende Europese auteursrechtgeleerden is opgesteld als ‘academische’ visie op een ‘Europees’ auteursrecht .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b2d26bf22d898350cce1803b1fd0138474f76249955ed6d10b996fe6e82a81e4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b2d26bf22d898350cce1803b1fd0138474f76249955ed6d10b996fe6e82a81e4, en de alinea staat in dat document op bytes 23107 tot 25973.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b2d26bf22d898350cce1803b1fd0138474f76249955ed6d10b996fe6e82a81e4 | shasum -a 256