Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2014

Onder 3.8 Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1801.

Ik realiseer mij dat het voorgaande de Hoge Raad niet van het stellen van prejudiciële vragen heeft weerhouden. De Hoge Raad behoefde zich daarvan ook niet te laten weerhouden, nu hij blijkens rov. 3.16 van het tussenarrest ervoor heeft gekozen eerst ná het prejudiciële arrest van het HvJ EU te beoordelen of en in hoeverre de onderdelen (“hoofdstukken”) 4 en 5 van het cassatiemiddel moeten worden behandeld. Het stond de Hoge Raad uiteraard geheel vrij te bepalen op welke wijze en in welke volgorde hij de klachten van het middel zou behandelen. Dat de klachten van de onderdelen 4 en 5 wellicht alsnog zullen leiden tot het oordeel dat de (naar aanleiding van hoofdstuk 3) aan de orde gestelde vragen van Unierecht niet beslissend zijn, is uit Unierechtelijk oogpunt geen bezwaar. Het prejudiciële arrest behoudt ook dan zijn betekenis, nu het HvJ EU daarin de legitimiteit van de aangevoerde rechtvaardigingen voor mogelijke beperkingen van het vrije kapitaalverkeer in algemene zin heeft bevestigd en de bestaande onzekerheid aldus tot de (door de nationale rechter te beoordelen) proportionaliteit van die beperkingen heeft gereduceerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c23cb2ff8679005141b7973f3f474c5a72242d86e93e93d731500607fc7c391a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c23cb2ff8679005141b7973f3f474c5a72242d86e93e93d731500607fc7c391a, en de alinea staat in dat document op bytes 35935 tot 37101.