Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 september 2014
Onder 11. Parket bij de Hoge Raad 26 september 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1808.
A-G Keus, die vooropstelt dat het hof in die zaak terecht de ruilverkavelingslasten niet als een feitelijke eigenschap in de zin van art. 7:17 BW heeft opgevat maar als een rechtsgebrek in de zin van art. 7:15 BW, betoogt in zijn conclusie dat het oordeel van het hof dat de ruilverkavelingslasten als bijzondere last of beperking moeten worden aangemerkt, onjuist noch onbegrijpelijk is. Niet op alle agrarische percelen in Nederland rusten immers ruilverkavelingslasten, zo betoogt Keus. Hij voegt hieraan toe dat de omstandigheid dat zulke lasten mede rusten op percelen die met het litigieuze perceel in één en dezelfde ruilverkaveling zijn begrepen (één en hetzelfde blok vormen), onvoldoende reden is om die lasten hun bijzondere karakter te ontnemen, terwijl bovendien de betrokken lasten specifiek zijn in die zin dat zij zijn gerelateerd aan de ten behoeve van het ‘blok’ gemaakte (en uit ’s Rijks kas voorgeschoten) kosten en over de gezamenlijke eigenaren worden omgeslagen naar gelang het nut dat de ruilverkaveling voor de desbetreffende eigenaar heeft gehad. Hij acht geen reden aanwezig bijzondere publiekrechtelijke lasten principieel van toepassing uitgesloten te achten en geeft aan dat de wetsgeschiedenis althans niet op een zodanige uitsluiting wijst. Voorts meende hij dat het belangrijkste voor uitsluiting aangevoerde argument, te weten dat (door de verkoper niet vrijwillig aangegane of overeengekomen) publiekrechtelijke lasten en beperkingen ook voor de verkoper veelal niet eenvoudig kenbaar zijn, althans voor ruilverkavelingslasten geen opgeld doet nu de eigenaar jaarlijks met de heffing van deze lasten wordt geconfronteerd terwijl registratie daarvan gewaarborgd is. Ten slotte kan men – aldus Keus – over de juistheid van de typering van ruilverkavelingslasten twijfelen. De Centrale Grondkamer heeft althans geoordeeld dat de (in art. 118 Ruilverkavelingswet 1954 bedoelde) schuldplichtigheid jegens het Rijk ‘berust op een civielrechtelijke schuld en – ook al zou zij een op de grond rustende zakelijke last zijn – niet een geldelijke last, opgelegd door een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in art. 14 lid 1 der Pachtwet’.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d413cd9aa54c770c3d8057641b11ba0e05f6011d18e4c1f3527e595672a49c72. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d413cd9aa54c770c3d8057641b11ba0e05f6011d18e4c1f3527e595672a49c72, en de alinea staat in dat document op bytes 34621 tot 36824.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d413cd9aa54c770c3d8057641b11ba0e05f6011d18e4c1f3527e595672a49c72 | shasum -a 256