Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014
Onder 15. Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1839.
Een niet onbelangrijk punt met betrekking tot het verwerven en het voorhanden hebben in de hier bedoelde zin, was door de Hoge Raad nog niet beantwoord. Ik doel op het gebruik van de termen “onmiddellijk” en “middellijk”, waarvan art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr zich immers bedient, en de vraag of dat onderscheid van betekenis is. De hiervoor weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad ziet namelijk op het onmiddellijk, dus rechtstreeks (of direct), uit het eigen misdrijf afkomstig voorwerp. Maar hoe nu als de verdachte dat voorwerp niet rechtstreeks maar via een omweg – bijvoorbeeld na omzetting of overdracht, dus middellijk – heeft verworven of voorhanden heeft gekregen? In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de ‘Wet van 6 december 2001 (Stb. 2001, 606) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven’ wordt in dat verband het volgende gezegd:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5229956ed32f84a92ca984bb55b10a305a23a13687738b64c4c84632854ae180. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5229956ed32f84a92ca984bb55b10a305a23a13687738b64c4c84632854ae180, en de alinea staat in dat document op bytes 22115 tot 23150.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5229956ed32f84a92ca984bb55b10a305a23a13687738b64c4c84632854ae180 | shasum -a 256