Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Onder 4. Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:187.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft in haar tussenvonnis van 25 april 2007 met betrekking tot de reconventionele vordering van [eiser] tot vernietiging van de overeenkomsten het volgende overwogen (rov. 3.5 t/m 3.9). Ten aanzien van het huis aan de [a-straat 1] zijn overeenkomsten aangegaan die ertoe hebben geleid dat dit huis door de moeder aan [eiser] is geschonken en dat [eiser] als gevolg van deze schenkingen per saldo f 195.000,- meer heeft ontvangen dan [verweerder]. Ten aanzien van deze overbedeling zijn partijen vervolgens overeengekomen dat [eiser] een schuld ter grootte van dit bedrag aan [verweerder] zou hebben, welke schuld opeisbaar zou worden bij “het openvallen van de nalatenschap”, derhalve bij het overlijden van de moeder. [eiser] voert nu aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat met “het openvallen van de nalatenschap” werd gedoeld op het tijdstip van verdeling van de nalatenschap en niet, zoals hem later bleek, het tijdstip van overlijden van de moeder. Dit laatste was voor hem uiterst bezwaarlijk, omdat hij op dat moment niet over de middelen kon beschikken om zijn schuld te voldoen. Deze middelen zouden pas beschikbaar komen bij verdeling van de nalatenschap. [verweerder] wist dit en heeft vervolgens welbewust aangestuurd op verkoop van het huis. [eiser] vordert daarom dat genoemde overeenkomsten en de daarop gebaseerde notariële aktes worden vernietigd wegens dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden en/of onvoorziene omstandigheden. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt dat [verweerder] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank oordeelt hierover dat de vordering tot vernietiging reeds afstuit op het feit dat partijen in de notariële akte van verdeling van 18 september 2001 uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van elk recht om ontbinding of vernietiging te vorderen. Waar in bedoelde akte tevens (het moment van opeisbaarheid van) de schuld van f 195.000,- is vastgelegd, heeft deze afstand ook hierop betrekking. Ook inhoudelijk dienen de vernietigingsgronden te worden verworpen omdat [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake is geweest van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden. Het beroep op onvoorziene omstandigheden faalt reeds op juridische gronden nu deze actie niet kan leiden tot vernietiging van een overeenkomst. Bovendien levert een verkeerde voorstelling van zaken omtrent een contractsbepaling geen onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258 BW op. Het voorgaande brengt mee dat er ook geen grond is om de door [eiser] gestelde onrechtmatige daad aan te nemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a04eb5919526aad7b8b47258d2a8971d6c1cda89b2458bec885cb113861e0bd8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a04eb5919526aad7b8b47258d2a8971d6c1cda89b2458bec885cb113861e0bd8, en de alinea staat in dat document op bytes 16770 tot 19451.