Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Onder 16. Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:187.

Ook deze klacht faalt. Het hof heeft op deze grief voldoende gerespondeerd door te overwegen dat [verweerder] ervan mocht uitgaan dat de in de overeenkomst omschreven opeisbaarheidsgronden de wil van partijen weergeeft zodat de vordering onder meer opeisbaar werd op het moment van het openvallen van de nalatenschap van de moeder van partijen, dat wil zeggen op het tijdstip van haar overlijden, en dat het financiële risico dat uit de overeenkomst voortvloeide voor rekening en risico van [eiser] zelf kwam, zodat voor [eisers] rekening en risico kwam dat achteraf kwam vast te staan dat hij zijn financiële verplichtingen niet kon nakomen. Zie rov. 10 t/m 13 van het arrest van het hof. In deze overwegingen ligt besloten dat de in grief 3 bedoelde “onvoorziene omstandigheid” niet een onvoorziene omstandigheid is zoals bedoeld in art. 6:258 BW, zoals ook de rechtbank had geoordeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a04eb5919526aad7b8b47258d2a8971d6c1cda89b2458bec885cb113861e0bd8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a04eb5919526aad7b8b47258d2a8971d6c1cda89b2458bec885cb113861e0bd8, en de alinea staat in dat document op bytes 37882 tot 38791.