Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Onder 17. Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:187.

Deze klacht faalt. Het oordeel van het hof dat het beroep op dwaling dient te worden verworpen, wordt voldoende gedragen door de overweging (rov. 11) dat de gedachte die bij [eiser] leefde dat hij eerst de vordering aan zijn broer diende terug te betalen op het moment dat de nalatenschap van zijn moeder verdeeld was, voor zijn rekening en risico komt aangezien die gedachte – naar het oordeel van het hof – niet kenbaar was dan wel had moeten zijn voor [verweerder]. Of [eiser] bij het tot stand komen van de overeenkomst werd bijgestaan door een advocaat, zoals [verweerder] heeft gesteld (vgl. rov. 9) maar [eiser] heeft betwist (o.m. bij pleitnotities in appel, onder 8), kan daarom in het midden blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a04eb5919526aad7b8b47258d2a8971d6c1cda89b2458bec885cb113861e0bd8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a04eb5919526aad7b8b47258d2a8971d6c1cda89b2458bec885cb113861e0bd8, en de alinea staat in dat document op bytes 39216 tot 39943.