Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2014, ECLI:NL:PHR:2014:188.

“(…) [U]itgangspunt [moet] zijn dat contractuele bedingen alleen van kracht zijn tussen handelende partijen. In bepaalde gevallen kan wel een uitzondering op dit beginsel worden aanvaard in dier voege dat een derde een contractueel beding in redelijkheid tegen zich moet laten gelden, maar daartoe zal dan een voldoende rechtvaardiging moeten kunnen worden gevonden in de aard van het betreffende geval. Daarbij moet onder meer worden gedacht – kort samengevat – aan het op gedragingen van de derde terug te voeren vertrouwen van degene die zich op het beding beroept dat hij dit beding zal kunnen inroepen ter zake van hem door zijn wederpartij toevertrouwde goederen (HR 7 maart 1969, NJ 1969, 249) en voorts aan de aard van de overeenkomst en van het betreffende beding in verband met de bijzondere relatie waarin de derde staat tot degene die zich op het beding beroept (HR 12 jan. 1979, NJ 1979, 362). Bij beantwoording van de vraag waar de grens ligt zal voorts mede rekening moeten worden gehouden met het stelsel van de wet, in het bijzonder indien de wet aan bepaalde daarin geregelde overeenkomsten binnen zekere grenzen werking jegens derden toekent en het betreffende geval in dit stelsel moet worden ingepast.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6015c8d67af23d8a40f0989da4c433c28e1b7157c7f2295db838218865fa7dcd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6015c8d67af23d8a40f0989da4c433c28e1b7157c7f2295db838218865fa7dcd, en de alinea staat in dat document op bytes 23963 tot 25209.