Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 oktober 2014
Onder 2.15 Parket bij de Hoge Raad 24 oktober 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1906.
De vraag die in de onderhavige zaak aan de orde komt is de vraag of art. 3:58 BWC kan worden toegepast op de rechtshandeling van de erkenning van een kind. Kan een nietige erkenning van een kind – nietig op grond van het ten tijde van de rechtshandeling geldende recht – alsnog worden bekrachtigd wanneer het beletsel dat destijds aan een geldige erkenning in de weg stond nadien is komen te vervallen? Het middel stelt zich op het standpunt dat bekrachtiging zich niet goed laat denken bij een rechtshandeling als erkenning, omdat de nietigheden van de erkenning nauwkeurig in art. 1:204 BWC (en in art. 330 BWNA (oud)) worden omschreven. Juist is dat de gronden voor nietigheid van de erkenning nauwkeurig worden omschreven en limitatief worden opgesomd , maar daarmee is niet gezegd dat een aanvankelijk nietige erkenning niet naderhand zou kunnen worden geheeld door overeenkomstige toepassing van art. 3:58 BWC. Aan de voorwaarden voor toepassing van art. 3:58 BWC is in dit geval voldaan. Na het verrichten van de rechtshandeling (in casu de erkenning) is een voor haar geldigheid gestelde wettelijk vereiste vervuld, namelijk dat de erkenner niet gehuwd mag zijn met een andere vrouw dan de moeder van het kind, terwijl alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de handeling (de erkenning) als geldig hebben aangemerkt. De bekrachtiging van art. 3:58 BWC brengt met zich dat de latere vervulling van het ontbrekende geldigheidsvereiste ertoe leidt dat de rechtshandeling alsnog met terugwerkende kracht tot het moment van het verrichten van die rechtshandeling rechtsgevolg verkrijgt. Naar mijn mening valt niet in te zien dat de aard van de erkenning zich verzet tegen de overeenkomstige toepassing van art. 3:58 BWC. De erkenning is vooral in het belang van het kind, waardoor familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen het kind en de erkenner. Het belang van het kind moet, dunkt mij, een leidend beginsel zijn bij het beoordelen van de vraag of een nietige erkenning door het later wegvallen van een beletsel alsnog als geldig kan worden beschouwd en derhalve kan worden bekrachtigd met overeenkomstige toepassing van art. 3:59 BWC.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fddff4f7f4ce18dee16db0e7339794e737fd842f9df2f6d8e0425523e1aa1d00. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fddff4f7f4ce18dee16db0e7339794e737fd842f9df2f6d8e0425523e1aa1d00, en de alinea staat in dat document op bytes 25430 tot 27906.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fddff4f7f4ce18dee16db0e7339794e737fd842f9df2f6d8e0425523e1aa1d00 | shasum -a 256