Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014
Alinea 278 Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1921.
De opvattingen in de literatuur over de wijze waarop het begrip «kennelijk» in artikel 46 Sr uitgelegd dient te worden, verschillen nogal (vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, 2003, p. 412–413). Sommigen betogen dat uit de aard van de voorwerpen (etc.) de objectieve bestemming tot het criminele doel dient te blijken, anderen, waaronder De Hullu, betogen dat de criminele intentie van de dader mee mag tellen. De eis van de kennelijke bestemdheid is bij de laatste interpretatie feitelijk overbodig naast de eis dat de dader opzet op de voorbereiding heeft. De gepubliceerde jurisprudentie wijst erop dat de Hoge Raad geen hoge eisen stelt aan de «kennelijkheid» van de criminele bestemming. Zo gaat het in HR 17 september 2002, NJ 2002, 626, om het voorhanden hebben van een bivakmuts en/of een of meer gestolen auto’s in verband met een voorbereide overval.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9, en de alinea staat in dat document op bytes 66149 tot 67046.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9 | shasum -a 256