Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014

Alinea 285 Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1921.

14. In dat betoog kan ik de steller van het middel niet volgen. Naar mijn oordeel getuigt de uitleg die in de Memorie van Toelichting ter zake van het doen vervallen van kennelijk is gegeven, niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte en/of de strafwaardigheid van voorbereidingshandelingen. Uit de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting, waarin wordt verwezen naar verschillende opvattingen in de literatuur en HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, blijkt veeleer van een voorstel om het toen bestaande criterium te verduidelijken, te verhelderen . “Het is niet mijn bedoeling de reikwijdte van het bestaande artikel 46 Sr wezenlijk bij te stellen. De aanpassing vindt zijn grond in de wens van verduidelijking”, aldus nog eens toenmalig Minister Donner van Justitie in zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 17 maart 2005. Daarbij komt dat uit het hierboven weergegeven arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de “subjectieve bestemming” oftewel de criminele intentie van de verdachte ook reeds onder de vigeur van art. 46, eerste lid, (oud) Sr een belangrijke beoordelingsfactor was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9, en de alinea staat in dat document op bytes 71536 tot 72983.