Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014
Onder 3.4. Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1921.
31. Zoals de Hoge Raad in de hierboven onder 12 aangehaalde overweging heeft uiteengezet gaat het er niet (alleen) om of die voorwerpen naar hun aard of hun concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen aan het begaan van het betreffende misdrijf, maar kan blijkens de wetsgeschiedenis niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Daarbij dient echter wel te worden aangetekend dat in het Samir A.-arrest vooral de strafbaarheid van – kort gezegd – de ondeugdelijke voorbereiding, dat wil zeggen de ongeschiktheid van het voorbereidingsmiddel, centraal stond. In het onderhavige geval staat naar mijn inzicht dit punt in cassatie niet ter discussie. Het betreft hier allesbehalve alledaagse ‘onschuldige’ voorwerpen ten aanzien waarvan de vraag of deze een voorbereidingsmiddel zijn afhankelijk is van de subjectieve intentie van de voorbereider , noch om een amateuristisch in elkaar geknutselde explosieve constructie van een in dat verband onervaren verdachte. Het gevaar waarvoor Smith waarschuwt, namelijk dat de strafbaarheid van de voorbereider enkel wordt gebaseerd op het voorhanden hebben van ‘gewone’ voorwerpen , doet zich hier dus in het geheel niet voor. Integendeel. Verzoeker is blijkens de bestreden uitspraak iemand die op dat vlak over de nodige scheikundige expertise beschikt en reeds eerder op gewelddadige wijze van explosieve stoffen gebruik heeft gemaakt. Ik meen dan ook dat de kracht van de objectiveerbare component van het handelen van de voorbereider en van de aard van de voorbereidingsvoorwerpen of –middelen in volle omvang aanwezig is en dat daaruit de criminele intentie van verzoeker in voldoende mate spreekt. In samenhang daarmee stel ik vast dat het Hof in zijn “Verdere beoordeling tenlastelegging” nadrukkelijk de uiterlijke verschijningsvorm van de bedoelde voorwerpen heeft beschouwd en zich de vraag heeft gesteld of deze voorwerpen de ‘veruiterlijking’ van een strafwaardige intentie van de verzoeker vormen, en dat het Hof in zoverre aan zijn motiveringsplicht in het verband van de strafbare voorbereidingshandeling heeft voldaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9, en de alinea staat in dat document op bytes 93168 tot 95518.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9 | shasum -a 256