Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014
Onder 3.4. Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1921.
36. Wat de betekenis van “opzettelijk” in de zin van art. 46 Sr betreft, breng ik in herinnering dat het woord “kennelijk” is vervallen om duidelijk te maken dat “de subjectieve bestemming, het opzet van de dader, toereikend is voor strafbaarheid.” Om de strafbaarheid hier te beperken tot de daadwerkelijke voorbereiding, zag minister van Justitie Donner een cruciale rol weggelegd voor het opzetvereiste. In de literatuur is de vraag opgeworpen of daarbij de figuur van voorwaardelijk opzet past. De Hullu heeft zijn bedenkingen, omdat de belangrijke plaats die de criminele intentie inzake de aansprakelijkheid inneemt wellicht dwingt tot een verzwaring van de vereiste mate van opzet. Machielse schrijft in Noyon/Langemeijer/Remmelink dat hier de gangbare opzet-doctrine van toepassing zal zijn, zo ook die inzake het voorwaardelijk opzet. Met een beroep op de bewoordingen van art. 46, eerste lid, Sr en de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis heeft HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9025 bevestigd dat voor het opzet in art. 46 Sr voorwaardelijk opzet toereikend is. Overigens is het nog maar de vraag of de gewraakte overweging van het Hof een vorm van voorwaardelijk opzet insluit die betrekking heeft op de voorbereidingshandelingen zelf. Ik meen van niet. De verdachte moet de voorbereidingsvoorwerpen en –middelen bestemd tot het begaan van het bedoelde misdrijf verwerven, vervaardigen, ‘transporteren’ en voorhanden hebben en op die bestemming het opzet hebben gehad. Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat het Hof dát (gewone) opzet bewezen acht, zij het hier, maar dat is nu eenmaal inherent aan de strafbare voorbereiding, in de betekenis van een toekomstgericht plan of voornemen. Van de eerste voorbereidende stappen naar de voltooiing van voorgenomen misdrijven als die waarvan in het onderhavige geval sprake is, is niet zelden een lange weg gelegen. Of het plan of voornemen daadwerkelijk zal leiden tot de beoogde gevolgen en/of tot – nu komt de figuur van het voorwaardelijk opzet wel om de hoek kijken – de gevolgen die de verdachte op de koop toe zal nemen, is een andere kwestie. Mijns inziens heeft het Hof op die (mogelijke) gevolgen het oog in zijn overweging betreffende de kennelijke voorbereiding van een mogelijk vuurgevecht waarbij doden kunnen vallen, waarbij ik “vuurgevecht” niet al te letterlijk neem en (evenals kennelijk de steller van het middel) de overweging van het Hof aldus begrijp dat daarmee ook wordt gedoeld op de voorbereiding van een gewapende overval waarbij verzoeker rekening hield met de mogelijkheid dat hij een vuurwapen zou moeten gebruiken (waarom neemt hij ze anders mee?) met eventueel dodelijke slachtoffers tot gevolg. Daarin ligt naar mijn mening geen onbegrijpelijkheid besloten, mede in aanmerking genomen dat in het vergezicht van de strafbare voorbereiding voorwaardelijk opzet en voorbedachte raad kunnen samengaan. Binnen dat perspectief heeft verzoeker zich denk ik tevens voorbereid op de serieuze mogelijkheid van levensberoving, en wel met voorbedachte raad.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9, en de alinea staat in dat document op bytes 100373 tot 103891.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d9de8da62b61f41621e4d7120f2a963304654f806c1f7b95da442d46c98fccc9 | shasum -a 256